Der Hund-libretto         Video-fragment (9 min. Vrije Geluiden VPRO, 27-11-2006)

Interview on Der Hund   (in Dutch, stream, 13 min.39)'

Der Hund

Jezelf op drieëntwintigjarige leeftijd met een pistool door het hart schieten, in dezelfde kamer aan de Schwarzpaniergasse in Wenen waar ook Ludwig van Beethoven stierf. Het is een daad die op het eerste gezicht onthutsing en bewondering oproept, omdat hij onmiskenbaar van verbeeldingskracht getuigt en een hang naar heroïek en grandeur verraadt. Maar door het groteske van zijn aspiraties, kleeft er tegelijkertijd ook een puberale koketheid aan de handeling, die de lachlust weet op te wekken.
Het was de filosofiestudent Otto Weininger die zich op 4 oktober 1903 tijdens een hevig onweer op dergelijke wijze het leven benam. Als auteur van Geschlecht und Charakter , een lijvige encyclopedische studie over het verdorven karakter van de vrouw, was hij enige maanden ervoor op slag beroemd geworden en werd hij alom bejubeld als een genie. Zijn zelfmoord lijkt het logische eindstation van zijn denkproces te zijn; het is de uiterste consequentie van zijn overtuiging dat hij slecht en misdadig was, en niet kon, niet verdiende te leven. Zijn schokkende gebrek aan ironie hielp hem hierbij wellicht over de drempel.

Der Hund is de muziektheatrale verbeelding van Weiningers laatste levensuur, waarin we deelgenoot worden van het beklemmende universum van zijn gedachtegoed, dat gekooid wordt door fobiën, angst en een allesverzengende weerzin jegens zijn medemens. Een weerzin die niet in de laatste plaats ook op hemzelf betrekking had, al was Weininger zich terdege, en vaak op pedante wijze, van zijn genialiteit bewust. Weiningers ‘Gedankensystem’ wordt geregeerd door een verregaande catalogiseerdrift en een niet aflatende drang om de omgeving in extenso te determineren. Voordat hij de hand aan zichzelf sloeg, noteerde Otto Weininger in Über die letzten Dinge zijn laatste overpeinzingen. Het zijn deze teksten waarop Der Hund is gebaseerd.

In Über die letzten Dinge ruimt Weininger een prominente plaats in voor zijn ideeën omtrent de ‘Tierpsychologie’, een ordening waarin menselijke karaktereigenschappen gekoppeld worden aan de gelaatstrekken en gedragingen van dieren. Zo herkent hij waanzin in de oogopslag van het paard, en staat alle diepzeefauna model voor het kwaad: “De diepzee heeft geen deel aan het licht, het grootste symbool van het hogere leven; en zo moet ook alles wat zich daar verkiest op te houden misdadig zijn. De poliepen en inktvissen kunnen, in zo verre ze symbolen zijn, slechts als symbool van het kwaad worden opgevat.” Het is met name de hond, die in zijn dierpsychologie nauwgezet en uitvoerig onder de loep wordt genomen. De trouwe viervoeter ontlokt aan Weininger een tirade tegen onderdanigheid en slaafse volgzaamheid. In het gesnuffel, gekwispel, geblaf en gehijg van ’s mans beste vriend ontwaart hij niets dan de allerlaagste staat van onderworpenheid en devotie. Wat hem tergt, zijn de totale afwezigheid van een vrije wil, eigenwaarde, het ik, vrijheid : “De hond handelt alsof hij zijn eigen waardeloosheid voelen wil; hij laat zich door mensen slaan, om zich korte tijd daarna weer aan hen op te dringen, zoals de slechte mens dat steeds bij de goede doet.”

Reeds lang had ik de wens om een stuk te maken, waarin het hoofdpersonage in wezen antipathiek is, maar waar de muziek tot een vorm van erbarmen weet te verleiden en de antiheld omsmeedt tot een meer tragische figuur. Otto Weininger bood een ideaal aanknopingspunt voor de door mij beoogde hoogmis van de misantropie. De geur van geritualiseerde zelfhaat die er uit zijn geschriften opstijgt, herinnerde mij aan de tijd dat ik vanwege de voorbereidingen van mijn eerste opera Freeze veelvuldig in Duitsland was. In het nachtleven van München en Hamburg in het begin van de jaren’90, kwam ik völlig deprimierte jongelui tegen, die mij met een mistroostige blik en gehuld in zwartleren jacks in alle oprechtheid toevertrouwden : “Es ist nicht einfach Deutscher zu sein.” Het was de aandoenlijkheid van deze existentiële gekweldheid, waaraan ik ogenblikkelijk moest denken, toen ik de teksten van Weiningers Über die letzten Dinge voor het eerst las. Langs deze weg begon in mijn verbeelding salonmuziek en de expressionistische klankwereld van het Wenen van rond 1900 zich te vermengen met pompende synthesizer-octaven, in de stijl van Kraftwerk, de Duitse band uit de jaren ‘80 die met zijn steriele sound eveneens van een merkwaardig serieuze grondhouding blijk gaf.

Raadselachtig blijft waarom Weininger verkoos zijn daad in de Sterbezimmer van Beethoven te voltrekken. Beethoven werd door Weininger weliswaar bewonderd als een van de grootste en meest pure genieën, maar zijn genie was wel van het plebejische Hundentypus. In Der Hund waart de geest van Beethoven rond in de vorm van flarden uit het langzame deel van de Hammerklaviersonate, die door het muzikale discours heen schemeren.

Rob Zuidam, november 2006.

 

                     

more info (also in English) www.muziektheaterdehelling.nl/producties/derhund.html

return to Homepage