McGonagall-Lieder (1997/2001)

William McGonagall (1825-1902) was een wever en geheelonthouder uit het Schotse Dundee, met een onwankelbaar geloof in zijn poëtische kunnen. Zijn omvangrijke oeuvre, dat tot op heden grotendeels onopgemerkt is gebleven, lijkt de lezer in vervoering en verwarring te willen brengen:

Alas! Lord and Lady Dalhousie are dead, and buried at last,
Which causes many people to feel a little downcast.

Het Times Literary Supplement noemde William McGonagall 'a real genius, for he is the only memorable bad poet in our language'. McGonagall droeg zijn poëzie voor tijdens theekransjes en soirees ten huize van notabelen. Of nadat hij, met zijn golvende lokken, had geschitterd op de planken van het Theatre Royal in Dundee als Hamlet, Macbeth of Richard III, tussen een hem in adoratie omstuwende menigte in de foyer. Toch beschouwde McGonagall deze huldeblijken, veelal afkomstig van dames op leeftijd, als te goedkoop behaald succes. Liever droeg hij zijn werk voor in de pubs, om de aldaar aanwezige ruwe bolsters middels verheffing te polijsten en van de sterke drank af te houden :

Therefore cease from strong drink,
And you will likely do well,
Then there's not so much danger
of going to hell!

Tijdens dergelijke missies kwam het regelmatig voor dat McGonagall door zijn toehoorders werd bekogeld met erwten en anderssoortige kleine projectielen. In het gehucht Liff werd hij na afloop van een voordracht om de hoek van de kroeg door drie man opgewacht.

Slechte poëzie kan een uitstekende bron van inspiratie zijn voor een componist.
Dante, Vergilius, Goethe, ze roepen ontzag op; en huiver om in het slagschip van de verbeelding alle geschutspoorten open te zetten. En niet zonder reden : Goede poëzie is immers op zichzelf al muziek, er hoeft niets aan te worden toegevoegd.
Van Oliver Knussen, componist, dirigent en connaisseur van Schotse parafernalia, kreeg ik met de kerst van 1992 The Complete McGonagall *) cadeau. De verwondering waaraan ik bij lezing ervan ten prooi viel, deed mij ogenblikkelijk het muzikale potentiëel van deze opmerkelijke poëzie beseffen. Ook werd ik diep getroffen door de onbedoelde tristesse, die in McGonagalls gedichten botst met het onbedoeld humoristische, en daarmee in de verbeelding van de lezer versmelt tot een wonderlijk amalgaam van emoties.

Wollige, ritualistische formuleringen, gevolgd door ferme, onverwachte uithalen. Minutieuze observaties en bombastische breedsprakigheid die resulteert in een hypnotiserende antilyriek. Een kreupel metrum, versvoeten die met verstuikte enkel door een mistig taallandschap hinken. Het zijn de ongebruikelijke middelen waarmee McGonagall een spanningsveld laat ontstaan tussen de mogelijkheden en de onvolkomendheden van taal.

Twee gedichten uit de bundel Poetic Gems vormen de basis van de McGonagall-Lieder. Address to the New Tay Bridge is een monumentale lofzang op een spoorbrug, geschreven ter gelegenheid van de ingebruikneming ervan in 1875. Het gedicht is vervuld van zorgeloos optimisme en lijkt een ode aan het menselijk vernuft en de technologische vooruitgang. Het noodlot beschikte echter de brug te doen ineenstorten, wat McGonagall noopte tot het schrijven van The Tay Bridge Disaster. Dit tweede gedicht verhaalt hoe de brug op oudejaarsdag 1869 tijdens een hevig noodweer in tweeën brak en negentig passagiers van de trein uit Edinburgh in een fatale val meesleurde.

In dit tweeluik zijn euforie en deceptie, angst en overmoed in een dodelijke omhelzing verstrengeld. Waar McGonagall de brug in de Address uitvoerig prijst om zijn kracht, sterk genoeg om alle stormen te doorstaan, blijkt dit later juist het manco van het bouwplan te zijn, wat de catastrofe tot gevolg heeft. Waar in tijden van voorspoed wereldlijke machten als hertog, lord en vorstin zich in galatenue over de brug laten transporteren, is het in The Tay Bridge Disaster een vertoornde Boreas die de scepter zwaait en wordt er bevend om goddelijke supervisie gesmeekt.
Een brug is daarnaast een geweldige metafoor: ze vervoert ons naar het onbekende, het onbereikbare, naar gene zijde. Een brug probeert een verbinding te leggen tussen het eigene en het andere.

De McGonagall-Lieder hebben ook in muzikale zin de gedaante van een brug: De twee liederen vormen de bogen van de brug, de 'central girders' als het ware. Daartussenin zijn blokken met instrumentale muziek geplaatst, die als de pijlers fungeren. Het openingsdeel, For Two Pianos, heeft in zekere zin ook tot doel om de toehoorder in de juiste geesteshouding te brengen en ontvankelijk te maken voor de poëtische kracht van de Address to the New Tay Bridge. Dit lied, waarin de hoge zangstem wordt voorzien van een contrapunt in de lage strijkers, plaveit met zijn nimmer aflatende dadendrang en energie weer de weg naar de catastrofe van de Disaster.
Een aantal jaren geleden, in een café aan het Spui, vertelde Oliver Knussen mij hoe hij gedroomd had dat hij een uitvoering van een muziekstuk van mij bijwoonde. De openingsakkoorden van zijn rêverie wist hij zich nog te herinneren en schreef ze voor me op. Het zijn de signaalachtige akkoorden die de McGonagall-Lieder openen en die in het verloop van het stuk, dat ongeveer een uur beslaat, in velerlei gedaanten terugkeren. Ze vormen tevens het basismateriaal van het stuk, de bouwstenen waaruit veel van de melodische- en harmonische stromen die in gang worden gezet, worden gegenereerd.

 

For Two Pianos                             11'
Address to the New Tay Bridge    12'
For Two Pianos and Strings          13'
The Tay Bridge Disaster                23'


*) 'The Complete McGonagall', Duckworth Press, ISBN 0 7156 05011

McGonagall-Lieder teksten

McGonagall-Lieder muziekvoorbeelden

return to Homepage