English version




Suster Bertken

Een nieuwe opera, gebaseerd op de geschriften van de 15e eeuwse kluizenares Suster Bertken, werd op 4 December 2010 in première gebracht tijdens de Zaterdagmatinee in het Amsterdamse Concertgebouw door het ASKO/Schònberg Ensemble onder leiding van Reinbert de Leeuw, sopraan Katrien Baerts, bariton Hubert Claessens en jongenssopranen James Dugan en Leopold Benedict. Het stuk werd zeer goed ontvangen door pers en publiek. Plannen voor verder uitvoeringen, zowel geënsceneerd als concertant, worden momenteel ontwikkeld. De cd van Suster Bertken is in juni verschenen op het Attacca-label. (Attacca CD2011-126)

Suster Bertken werd in 1426 of '27 geboren in Utrecht, en stierf aldaar op 25 juni 1514. Toen ze ongeveer dertig jaar oud was, liet zij zichzelf insluiten in een kleine bakstenen kluis tegen de Buurkerk in Utrecht aan, waar zij de rest van haar leven in meditatie verzonken doorbracht. Haar blik op de wereld bleef beperkt tot twee kleine raampjes; het ene bood zicht op het altaar, waardoor zij alle missen kon volgen die er werden opgevoerd, en het andere keek uit op de straat. Door dit raam ontving zij voedsel en hulp bij haar dagelijkse benodigdheden, en gaf zij op haar beurt goede raad aan voorbijgangers of droeg haar prosa en poëzie voor aan hen die daarvoor ontvankelijk waren. In de Middeleeuwen werd algemeen verondersteld dat kluizenaressen, door hun geïsoleerde en ascetische leefwijze, een direct, of toch in ieder geval een nauwer, contact met God hadden. Velen wendden zich tot een kluizenares met het verzoek voor hen, of voor familieleden, te bidden. Suster Bertken stond bekend om haar strikte, spartaanse levenshouding, die veel verder ging dan de toch al strenge regels voor hen die zich wilden wijden aan God voorschreven. Ze was altijd blootsvoets, gebruikte geen vuur, vlees of zuivelproducten en was het hele jaar rond gekleed in een grof haren kleed en een eenvoudige, grauwe rok. Dat haar werk populair was onder haar tijdgenoten, blijkt wel uit het feit dat het tot diverse generaties na haar dood gedrukt en herdrukt werd, niet alleen in Utrecht, maar ook elders, in Leiden en Antwerpen.
Meer uitgebreide informatie:
Suster Bertken - de historische figuur (Instituut Ned. Geschiedenis)


Muziekvoorbeelden

Suster Bertken - Libretto (midden-Nederlands met moderne hertaling)



Rob Zuidam over Suster Bertken :
Wat mij fascineert aan de teksten van Suster Bertken, is de merkwaardige discrepantie tussen de krappe ruimte waarin ze geschreven werden, en de onmetelijke afstanden die worden afgelegd in de visioenen de erin beschreven staan. In dat opzicht, is Suster Bertken een soort vijftiende-eeuwse pendant van de Britse geleerde Stephen Hawking, die gekluisterd aan een rolstoel, vervuld is van gedachten die uitwaaieren tot in de verste uithoeken van het universum. Met het verschil natuurlijk, dat Hawking niet op vrijwillige basis gekluisterd is.

Het is verleidelijk om te speculeren over het waarom van Suster Bertkens zelfgekozen ‘aardse dood’, temeer daar historische feiten daaromtrent nauwelijks voorhanden zijn. Was haar grote liefde definitief buiten haar bereik gekomen, was het omdat ze een bastaardkind was? Suster Bertken geeft zelf ook aanleiding tot dergelijke bespiegelingen: ‘si heeft my menich leet gedaen’, en ‘och, dat si seer bedriechlic is, dat heb ic wel vernomen‘, zingt ze in Die werelt, het tweede deel, dat volgt op de instrumentale opening. Maar hoewel het nimmer kwaad kan om zich in de achterliggende motieven van iemands handelen te willen verdiepen, kan psychologiseren soms ook de aandacht afleiden van datgene wat het meest voor de hand ligt, en het moeilijkst te begrijpen is: Haar inkluizing geschiedde geheel op vrijwillige basis. Dit was het leven dat ze voor haarzelf verlangde. Minimale bewegingsvrijheid, maximale devotie en verbeelding. Dat deze levenshouding niet echt ongezond kan zijn, blijkt wel uit het feit dat ze haar leven van ongeveer haar dertigste tot aan haar dood op 87-jarige leeftijd in deze kluis doorbracht.

Een inkluizing ging gepaard aan een ritueel. Er kwam een geestelijke, meestal de bisschop, een requiem-mis opvoeren. Wie afstand deed van het aardse leven, kwam formeel immers te overlijden, en was dientengevolge bij volle bewustzijn aanwezig op de eigen teraardebestelling. De geestelijke stelde vervolgens een aantal vragen omtrent de standvastigheid van de intenties van de aspirant-kluizenares, en als deze bevestigend werden beantwoord, verdween ze voorgoed in de kluis. In mijn Requiem, het derde deel van het stuk, wordt de ceremonie voltrokken door prior Dirck van Malsen, de sleutelbewaarder van Bertkens kluis.

Het was het lezen van Suster Bertkens Kersttractaet, dat mij definitief over de streep trok en me de weg wees hoe het stuk verder gestalte diende te krijgen. Het Tractaet verhaalt over de geboorte van Jezus, maar dan vertelt vanuit het perspectief van Maria. De Heilige Maagd wordt ´heet ende doorschynich´, zweeft los van de grond, alvorens als een raket ten hemel te schieten, langs engelenkoren, tot in het allerhoogste. Daar ontwaart ze als in een flits God en valt flauw. Op dat moment voltrekt zich ook de, geheel pijnloze, bevalling: ‘als een pijl die door de lucht vliegt, waarbij de pijl niet door de lucht wordt gestuit of gehinderd, noch de lucht wordt gekwetst door de pijl‘. Behoedzaam wordt ze door de engelen weer op de aarde neergelaten, waar ze weer bij zinnen komt door het geschrei van het kindje Jezus. Door de tekst van het Tractaet onstaat er een cirkelbeweging in het stuk van een vrijwillig gekozen aardse dood naar een geboorte in de verbeelding. De tekst staat bovenal bol van een allesverzengend kindsverlangen en sluit op een merkwaardige wijze naadloos aan op Nietzsche’s observatie dat het het diepste verlangen van iedere vrouw is om de Übermensch te baren.

Het vierde deel, Mi quam een schoon geluit, is een tussendeel met een sterk meditatief karakter, waarin ik heb gepoogd de muziek en de zang zoveel mogelijk met elkaar te laten versmelten. Het vormt een brug tussen het ‘aardse rumoer’ van de voorafgaande delen en de sprong in het verhevene van het vervolg van het stuk. In de Hemelsche opclimminghe, het vijfde deel, neemt de tekst van het Kersttractaet een aanvang. Het is opvallend hoe door het alsmaar extatischer worden van de tekst, er geleidelijk een proces van vereenzelviging op gang komt. Waar het begint als een vrij neutrale vertelling over Maria, bekruipt je in het zesde deel Dat suete saerte kint Jhesus, het gevoel dat het toch eerder Suster Bertkens borsten zijn waaraan de Heiland zich laaft. De geboorte van Jezus valt samen met het overlijden van Suster Bertken. In het slotdeel Hodie mecum eris in Paradiso, zingt Hij, in de gedaante van twee jongenssopranen, zijn moeder toe in bewoordingen die zijn eigen dood aan het kruis reeds voorafschaduwen.
Rob Zuidam, november 2010

Volkskrant 6-12-10

Parool 6-12-10

Telegraaf 7-12-10

terug naar homepage