Geknor van vijftig wilde zwijnen

                    


--------------------------------------------------------------------------------

NRC Handelsblad van 12-12-2003 Pagina 20 CS Portret

 

`In Frankrijk moet je minstens tweehonderd jaar oud worden, wil je er als componist enige naam kunnen maken', zo luidt een van de talrijke stellingen van Hector Berlioz (1803-1869). Gisteren was het dan eindelijk zo ver, de tweehonderdste geboortedag van Frankrijks meest sprankelende en flamboyante toondichter was een feit. Reden om hem te herdenken, en onszelf te trakteren op een weldadige stortvloed van zijn muziek; in de concertzaal worden tal van zijn stukken ten gehore gebracht en er is een aantal cd-boxen met jubileumuitgaven van zijn opera's uitgekomen. Er is een tentoonstelling over zijn leven in Parijs en delen van zijn correspondentie en vlijmscherpe muziekessays zijn heruitgegeven. Ook in ons land vindt er de komende maanden een groot aantal Berlioz-uitvoeringen plaats, zoals het monumentale L'Enfance du Christ, dat op 20 december in Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht tot klinken zal worden gebracht. Het Ensemble Christofori gaat de komende week op tournee met het programma De dagboeken van Hector Berlioz, gepresenteerd door de acteur Porgy Franssen.

Berlioz dacht twee eeuwen nodig te hebben om erkenning te krijgen, omdat hij bij leven door zijn landgenoten voornamelijk met onverschilligheid en soms met regelrechte vijandigheid tegemoet werd getreden. Hij is de enige Franse componist geweest die de idealen van de Romantiek ten volle omarmde. Beethoven, Weber en Gluck waren zijn muzikale helden, zoals Vergilius, Shakespeare en Goethe dit waren op het literaire vlak. Dit verleende zijn muziek onmiddellijk een internationaal karakter, met een brede reikwijdte. Het is weids, impulsief, theatraal en suggestief. Zijn temperamenten vloeien naadloos in elkaar over, of zorgen voor grillige, abrupte contrasten. Berlioz is wars van het nuffige en pakt de zaken liefst groots en meeslepend aan.

Het Parijse publiek van zijn tijd had meer behoefte aan lichtere kost, als de luchtige opera's van Meyerbeer, of een vleugje Rossini. Maar in het buitenland, bij de koning van Pruisen, vond Berlioz een veel gewilliger oor. Evenals bij prins Lichnowsky, tsaar Nicolaas I, de groothertog van Weimar, of in Londen, waar hij aan het Drury Lane Theatre verbonden was en aan tal van Duitse vorstenhoven. In Parijs hield Berlioz zich in leven met een nederige betrekking als bibliothecaris aan het Conservatorium en door het schrijven van artikelen voor het Journal des Débats.

Hoewel programmamuziek reeds bestond, denk bijvoorbeeld aan de Vier jaargetijden van Vivaldi, bracht Berlioz dit fenomeen naar een geheel nieuw plan. Het symfonisch gedicht, zoals zijn in 1828 ontstane Symphonie fantastique, is een vorm waarbij een verhaal geheel in klank wordt verbeeld. Dit idee van het symfonische gedicht nam door de gehele negentiende eeuw heen een enorme vlucht, tot aan Gustav Mahler en Richard Strauss toe. De Symphonie fantastique luidde tevens de geboorte van de programmatoelichting in, om de toehoorder tijdens het concert het verhaal te kunnen verklaren. Later, in zijn opera's en lyrische drama's, buit hij dit vermogen om met klank het verhalende te suggereren verder uit en bereikt zijn muziek ongekende vormen van theatraliteit.

In zijn requiem Grande Messe des mortes (1837) laat Berlioz vier batterijen koperblazers uit de hoeken van de zaal het Laatste Oordeel aankondigen, en staat hij hiermee aan de wieg van de ruimtelijke muziek. Berlioz is de eerste componist die echt primair geïnteresseerd is in instrumentatie. Zijn boek over instrumentatieleer geldt nog altijd als een standaardwerk.

Hector Berlioz leert men, afgezien van door zijn muziek, het beste kennen door het lezen van zijn Mémoires, die een jaar na zijn dood verschenen. We zien Berlioz verkleed als vrouw met twee pistolen onder de jurk op pad gaan, met het voornemen om een rivaal in de liefde uit de weg te ruimen. Andere tragikomische affaires passeren de revue. In zijn Mémoires ontpopt Berlioz zich als een weergaloze somberaar en een begenadigd en meeslepend verteller, die een kaleidoscopisch beeld geeft van het Europese muziekleven, halverwege de negentiende eeuw.

Genadeloos portretteert hij de incompetentie, de onwil en middelmatigheid die in het muziekbedrijf welig tierden, het gekonkel en de intriges die de opera van oudsher aankleven, of eenvoudigweg het onbegrip: ,,Berlioz, muziek moet de geest zalven, waarom maak je het je toehoorders nu zo lastig?'' Hector Berlioz verhaalt dermate naturel en levendig, dat je het gevoel bekruipt dat er in anderhalve eeuw eigenlijk weinig veranderd is. Ik laat in het midden of dit een geruststellend of een angstaanjagend gevoel is.

Een bonte karavaan van personages trekt in de Mémoires voorbij : ,,Het concert was net afgelopen; ik was geheel buiten adem en trilde van de opwinding, toen Paganini, gevolgd door zijn zoon Achilles, wild gesticulerend naar mij toe kwam achter het podium. Vanwege de keelinfectie waaraan hij uiteindelijk zou overlijden, had hij toen al compleet zijn stem verloren, en zelfs als het volkomen stil was kon niemand behalve zijn zoon verstaan wat hij zei. Hij maakte een teken naar het kind, dat op een stoel klom, zijn oor dicht naar de mond van zijn vader neigde, en aandachtig luisterde. Achilles klom naar beneden en zei me : `Mijn vader wenst u te verzekeren, mijnheer, dat hij nog nooit in zijn leven zo krachtig onder de indruk is geraakt op een concert; dat hij helemaal ondersteboven is van uw muziek, en dat als hij zich niet zou bedwingen voor u zou knielen om u te bedanken.' Ik maakte een gebaar van ongeloof en verlegenheid op deze vreemde woorden, maar Paganini, die me bij mijn arm greep, stiet een hees `Si, si!' uit met wat er nog van zijn stem over was en voerde mij mee naar het podium, waar nog steeds behoorlijk wat muzikanten waren, knielde neer en kuste mijn hand. Ik hoef u mijn verbazing niet te beschrijven; ik vertel de feiten, dat is alles.''

De Mémoires verhalen hoe Berlioz zijn jeugd in la Côte-Saint-André doorbracht, in de omgeving van Grenoble, en hoe hij zich bekwaamde op de flageolet, de gitaar en in het componeren. Als jongeman vertrekt hij naar Parijs om er op instigatie van zijn vader, zelf een plattelandsarts, medicijnen te gaan studeren. Maar als hij in het Hospital de la Pitié een lijk moet ontleden, gaat het mis: ,,Toen ik binnenkwam in dat angstaanjagende menselijk abattoir dat vol lag met stukken van lichaamsdelen en keek naar die verwrongen gezichten en gekliefde hoofden, de bloederige smeerboel waar we in stonden, de bedompte lucht, de zwermen spreeuwen die om restjes vochten, de ratten die in de hoek aan een stuk ruggengraat knaagden, werd ik overmand door zo'n gevoel van afschuw dat ik via het openstaande raam naar buiten sprong.''

Het valt aan te raden om een geannoteerde versie van de Mémoires te raadplegen, omdat Berlioz' geheugen hem nog wel eens in de steek liet en her en der de zaken wat al te eenzijdig worden belicht. Geplaagd door een zenuwaandoening, waarvoor hij steeds kleine doses opium neemt om de pijn te verzachten, is hij op zijn vijftigste goeddeels een oude man. Dat is het moment dat hij aan het schrijven gaat. De verhaallijn in de Mémoires wordt ook een aantal malen onderbroken door het rumoer van de straat, de volksopstanden die er op dat moment in Parijs plaatsvonden : ,,16 juli 1848 – De doden zijn begraven. De straatstenen van de barricaden liggen weer op hun plaats, maar wellicht worden ze er morgen weer uitgehaald.'' Berlioz was een fervent voorstander van de monarchie. Die bood bescherming, noodzaak en een platform voor de kunsten. Van de massa moest hij in het geheel niets hebben. Een verlicht despoot, maar dan wel eentje die van muziek hield, dat was zijn ideale staatsinrichting. Zo ongeveer als de vorsten dus, waardoor Berlioz in het buitenland zo warm en gastvrij werd onthaald. De Republiek, en in het verlengde daarvan democratie, zag hij als een bedreiging voor de kunst. Kort en bondig samengevat: omdat als de mening van domme en slimme mensen gelijkwaardig aan elkaar worden gesteld, niet langer het hogere, maar het gemiddelde het algemene maatschappelijke streven vormt. ,,Ja, laten we alle werken die niet door de massa bewonderd worden als anathema beschouwen! Als zij er niets aanvinden, dan is dat omdat het waardeloos is; als ze het verachten, dan is het omdat het verachtelijk is; als ze het verwerpen met boe-geroep, laat ons de auteur eveneens verwerpen, want hij toont een gebrek aan respect voor het publiek; hij heeft diens onmetelijke intelligentie vertoornd en hun diepere gevoelens gekwetst. Zend hem naar de galeien !''

De afkeer van de massa van Berlioz staat in merkwaardig contrast met zijn voorliefde voor massaliteit in de muziek. Hij schreef relatief weinig kamermuziek en hanteerde het liefst het symfonie-orkest als het vehikel van zijn verbeelding. Daarnaast vond hij het een sport om op bijzondere locaties, desnoods in de open lucht, concerten te organiseren met orkesten met een mega-omvang. Op de Industriële Tentoonstelling van 1844 in Parijs klonk er een uitvoering van de Vijfde symfonie van Beethoven door een orkest dat bestond uit 1.022 muzikanten, onder leiding van Hector Berlioz. ,,De repetitie met de zesendertig contrabassen was zonder meer curieus. We kwamen in het Scherzo en het klonk als het geknor van een stuk of vijftig wilde zwijnen; zo ongelijk werd er gespeeld en zoveel nauwkeurigheid was bij deze passage vereist. Stukje bij beetje echter ging het beter, het geheel kwam samen en de frase kwam er duidelijk uit met al zijn wilde onherbergzaamheid.''

Wat betreft de appreciatie van Berlioz' muziek ligt het minder zwart-wit dan hij ons wil doen geloven. Ook in Frankrijk heeft hij wel degelijk successen beleefd. En evenmin was het altijd hosanna in het buitenland: in januari 1845 klonk er voor het eerst muziek van Berlioz in Nederland, de ouverture Le roi Lear in de Felix Meritis aan de Amsterdamse Keizersgracht. J.J. Viotta was erbij en noteerde het volgende: ,,Waarom Berlioz voor zijne Ouverture den titel gekozen heeft van een der beroemdste Treurspelen van den onsterflijken Shakespeare, begrijpen wij niet: te vergeefs toch hebben wij getracht, het karakter des ongelukkigen Konings daarin op te sporen, maar in de bombastische, tegen alle regelen der Kunst aandruischende compositie, in dien verwarden broddelwinkel geen flaauw denkbeeld van het Treurspel weêrgevonden. Het is heiligschennis, eene vergelijking te durven wagen tusschen den alles, wat grootsch en edel is, omvattenden Genie van Beethoven, en het fijnere-gevoel kwetsend, en smaak-bedervend, vruchteloos naar originaliteit strevend, talent van een Berlioz. Beethoven is de schitterende zon, Berlioz, te naauwernood, een dwaalster der godlijke Toonkunst!''
Berlioz heeft nooit een voet op Nederlandse bodem gezet. Beethoven ook niet, overigens. Omdat het ons ontbreekt aan een verlicht despoot die van muziek houdt.

Addendum 1: Brief
Addendum 2: Brief

©Rob Zuidam 2003

return to Homepage