Zeuren loont soms toch

                    
verschenen in het Cultureel Supplement van het NRC Handelsblad, 12 maart 2004.

Ontluikende narcissen richten zich broos op uit de sneeuw in de achtertuin van componist Willem Boogman (1955). We zitten in zijn benedenetage in Amsterdam oud-West en de gloed van het theelicht werpt zijn behaaglijke schijnsel over de partituur van Rudolf Eschers Protesilaos en Laodamia. Escher (1912-1980) componeerde deze kameropera, een ‘Zangspel op een gedicht van M. Nijhoff', in 1946, maar liet het bij zijn overlijden in onvoltooide staat achter. Boogman bewerkte en instrumenteerde Protesilaos en Laodamia , dat morgen door het Radio Kamerorkest in première zal worden gebracht, tijdens de ZaterdagMatinee in het Amsterdamse Concertgebouw.
Willem Boogman daalt de trap af naar de kelder, waar de piano staat, om er de particel bij te halen, de ruwe schetsen van Escher waarop hij zijn werk baseerde. Een tamelijk minutieus en regelmatig handschrift, op zestienbalks muziekpapier. Sommige vellen staan vol met doorhalingen en verwijzingen met pijlen, of aantekeningen in de marge. Boogman: “Toen ik de particel voor het eerst doorspeelde, werd ik meteen enthousiast en wist ik wat ik met het stuk wilde. De muziek is heel kaal. Escher kan dat soms hebben, dat evocatieve, waar alles in de muziek lijkt stil te staan en er alleen in de verte enige rimpeling waarneembaar is. Wat mij soms irriteert in zijn muziek, is wanneer hij gaat ‘huppelen', van die neobarokke dansjes. Soberheid, dat is Escher op zijn best." "De zanglijnen waren helemaal uitgewerkt, die heb ik uiteraard ongemoeid gelaten. Maar de muziek bevatte verder geen tempoaanwijzingen of een uitgewerkte instrumentatie. Uit de spaarzame notities voor de orkestratie blijkt dat Escher een groot symfonieorkest in gedachten had. Hier heb je bijvoorbeeld zo'n plek meteen aan het begin, waar hij drie trompetten voorschrijft. Dit idee heb ik niet nagevolgd. Het is waarschijnlijk dat Escher zelf tot de slotsom was gekomen dat een orkest wel wat fors is voor een stuk van deze schaal, met drie zangers en een omvang van zo'n vijfentwintig minuten. Hij heeft ook andere stukken, zoals zijn Nostalgies (1951) voor tenor en orkest, later omgewerkt naar een kleinere bezetting. In 1953 leurde hij nog met Protesilaos en Laodamia bij de NCRV, zo blijkt uit een brief. Het moest een ‘radiofonisch spel' worden, voor drie zangers en klein ensemble, zo stelde hij voor. Hij heeft er nooit wat op vernomen.”
Het radiofonische spel was een genre dat pionierde met elektronische geluiden in combinatie met gecomponeerde muziek. Henk Badings (1907-1987) hield zich er onder andere mee bezig. Ton de Leeuws radiofonisch oratorium Job , voor solisten, koor, orkest en elektronica, won in 1956 de Prix Italia.

Willem Boogman: "Ik denk aan een toon als iets dat je in de ruimte kunt neerzetten. Tonen kunnen zich uitstrekken en vermenigvuldigen. Ik wilde een ritme aanbrengen van klankkleuren, dat als het ware over de muziek van Escher zou worden gelegd. De meeste door mij ‘toegevoegde' noten aan Eschers particel van Protesilaos en Laodamia zijn het gevolg van dit principe. Op een kort tussenvoegsel na, dat ik ergens op tweederde van het stuk als een soort handtekening van de bewerker heb geplaatst, heb ik me aan Eschers oorspronkelijke notenmateriaal gehouden. De vele doorhalingen leverden doorgaans weinig moeilijkheden op, omdat de omliggende gedeelten vaak probleemloos aan elkaar konden worden gelast."

Rudolf Escher werd in 1912 geboren in Amsterdam, maar het grootse deel van zijn jeugd bracht hij door in Nederlands-Indië, wegens de werkzaamheden van zijn vader, geoloog en de halfbroer van graficus Maurits Escher. In een interview met Elmer Schönberger in Vrij Nederland in 1976 vertelt Rudolf Escher hierover: "Van mijn vader kreeg ik daar de eerste muzieklessen. Een muzikale man. Speelde de Waldstein-Sonate , de Arabesques van Debussy, Bach, Intermezzi van Brahms, onvergetelijk, door het geruis van de tropische regen heen. Onvergetelijk ook die dorpsgamelan in de nacht, ver weg in de binnenlanden van Java. Het was in Njawi, bij Djokjakarta. Dat moet een veel grotere indruk gemaakt hebben dan ik toen besefte. De zeldzame keren dat ik muziek droom, klinken er klokken, gongs, gamelan, maar altijd in het Westerse toonsysteem.” Escher ontpopte zich als een veelzijdig talent, hij schreef gedichten, essays en schilderde. Maar, ‘op een goede avond, in een flits tijdens het tandenpoetsen', wist hij opeens zeker dat hij componist wilde worden. In 1931 werd hij ingeschreven aan het Toonkunst Conservatorium in Rotterdam en kreeg er les van Willem Pijper.
Aanvankelijk doet de invloed van Debussy en Ravel zich op zijn muziek gelden, maar gaandeweg ontwikkeld hij een eigen signatuur. Escher schuwt het grote gebaar niet, zijn composities bieden uitzicht op imposante muzikale vergezichten en omspannen moeiteloos grote dramatische bogen. In zijn zoekende rusteloosheid, de prangende, onheilszwangere harmonieën en het gebruik van polymelodiek, heeft Eschers geluidswereld wel wat gemeen met die van Matthijs Vermeulen (1888-1967). Maar het muzikale discours verloopt bij Escher over het algemeen minder hortend. Zijn klankpalet is transparanter en subtieler van aard. Zeer de moeite waard zijn de vroege orkestwerken. Het mag een raadsel heten waarom stukken als Musique pour l'esprit en dueil (1942), of de Hymne du Grand Meaulnes (1951), naar de roman van Alain Fournier, niet vaker worden uitgevoerd. Escher stond bekend om zijn kritische geest en zijn hoge mate van perfectionisme. Hoewel deze karaktereigenschappen bij een componist als vanzelfsprekend zouden kunnen worden beschouwd, braken ze hem met het verstrijken der jaren in toenemende mate op, in de vorm van twijfel over zijn te volgen koers als componist. De oude vormmodellen en de tonaliteit waren volgens hem uitgeput geraakt, en tegelijkertijd kon hij zich ook niet vinden in de seriële technieken van Stockhausen en de naoorlogse avantgarde.
Een goed inzicht in deze zoektocht en vertwijfeling geeft de correspondentie tussen Rudolf Escher en Peter Schat (1935-2003). Schat was als dienstplichtig soldaat gelegerd in de kazerne te Ede en Escher had er in de omgeving een zomerhuisje om te werken. Het toeval bracht hen bijeen; en tussen de 22-jarige muziekstudent, een aanstormende jonge hond en de componist van 45 jaar, alom gewaardeerd maar middenin een artistieke crisis, ontstond een hechte vriendschap. "Ik voel ineens hoe oud ik ben, wanneer ik met Peter Schat aan het praten ben. Ik voel me ineens 'de oudere generatie' tegenover 'de jongste' ", schrijft Escher in maart 1958 aan zijn vrouw Beatrijs.
Een aantal reeds voltooide werken trok Escher terug, aan andere bleef hij voortdurend schaven. Dat dit soms ten onrechte gebeurde, bewijst het Concerto voor Strijkorkest , uit 1947. In ieder geval het eerste deel van dit drieluik, een breed uitgesponnen lamento, beschikt onbetwist over bovengemiddelde lyrische kwaliteiten. Desondanks besloot Escher het stuk in 1960 terug te trekken, omdat hij er onmogelijk nog achter kon staan. Het Concerto voor Strijkorkest vond een onvermoede bewonderaar in John Cage (1912-1992) die, nadat hij in 1949 een opname van het stuk had gehoord, Escher thuis opzocht. "The Concert for Strings which you heard at Donemus (did you really like that music? I never understood) was long ago abandoned to the flames" schreef Escher aan Cage in 1966. Wat hij niet wist, was dat er nog een kopie van het stuk op microfilm was in het archief van Donemus. Na zijn overlijden werd het Rudolf Escher-comité in het leven geroepen, om zich over zijn muzikale nalatenschap te ontfermen.

Willem Boogman: "Ik ben in eerste instantie bij het Escher-comité betrokken geraakt als kopiist, gewoon om wat geld bij te verdienen. Dat was in 1990, voor Summer Rites of Noon, een ander onafgemaakt project van Escher, dat door Jan van Vlijmen is voltooid. Toen Nico Schuyt uit het comité ging, was er iemand nodig voor de correcties en zodoende werd ik gevraagd. Het was een geweldige tijd, goed eten en drinken. We stelden lijsten op, zodat er een overzicht van het gehele oeuvre zou ontstaan, alles moest gecatalogiseerd worden. Bijs (Beatrijs Escher-Jongert) kwam dan met anekdotes over de ontstaansgeschiedenis van het stuk, of met brieven die er betrekking op hadden. Henriette Kropman zat toen ook in het comité en Hein van Royen, die een wijngaard had in Sicilië. We dronken oude dessertwijnen uit een soort geheime voorraad die nog door Escher was aangelegd. De wijnen werden gedecanteerd, er lag een dikke laag droesem op de bodem. Protesilaos was zo'n beetje het laatste project dat er nog op de plank lag, het comité is inmiddels opgeheven."

De Griekse krijgsheer Protesilaos werd door een speer geveld bij het aan land gaan van de vloot en sneuvelde nog voor de Trojaanse oorlog goed en wel op gang was gekomen. Zijn liefhebbende echtgenote Laodamia weende onophoudelijk, en tien jaar lang trachtte ze de goden met haar smeekbeden te vermurwen om Protesilaos weer naar haar terug te laten keren uit de onderwereld. "Nou, vooruit dan", sprak Zeus, wellicht wat vermoeid geraakt door haar vasthoudendheid, “maar alleen als hij over een uur weer terug is”. Zeuren loont, zij het maar voor even. Nijhoffs tekst, die hij later de titel 'Een idylle' gaf, begint als Protesilaos' verlof uit het dodenrijk erop zit en Hermes, de zoon van Zeus en leidsman van de doden, hem op staat te wachten bij de ingang van de onderwereld. De buitenlucht heeft ook Hermes goed gedaan en hij mijmert over het mooie bestaan dat hij vroeger leidde in Thessalië. Dan wordt Hermes heimelijk benaderd door Laodamia, die hem voorstelt om met haar van kleding te verwisselen. Zij verkiest de dood boven de eenzaamheid en wil samen met Protesilaos naar de onderwereld afdalen. Daartoe moet Charon, die zijn veerboot over de dodenrivier de Styx brengt, door een list om de tuin worden geleid. En Hermes kan, verkleed als Laodamia, zijn verblijf onder de levenden nog wat oprekken. Het enige wat hij hoeft te doen is de hond te eten geven en verder zal niemand haar missen, zo vertrouwt zij hem toe. Willem Boogman: ”Nijhoffs ‘Een idylle' vormt een tweeluik, samen met ‘Het uur U'. Ze werden in 1942 samen in één bundel gepresenteerd en hebben ook een thematische verwantschap. ‘Een Idylle' is gebaseerd op een verloren gegane tragedie van Eurypides (480-407 v.Chr.), die we slechts kennen uit de overlevering van Apollodorus. Ook bij Ovidius vind je verwijzingen naar het verhaal van Protesilaos en Laodamia. Ik ben een groot liefhebber van de poëzie van Nijhoff, maar eigenlijk ben ik bij hem terechtgekomen via Gerrit Achterberg. Waar bij Achterberg het zoeken naar een geliefde centraal staat, is Nijhoffs thema ‘het moment'. In ‘Het uur U' lijkt alles volkomen normaal, een doodgewone straat waar iedereen zijn dagelijkse gang gaat. Maar dan verschijnt er plotseling een man die deze alledaagse werkelijkheid volkomen op zijn kop zet. Hij verschijnt en verdwijnt. Het ongekende, de doden en herinneringen krijgen bij Nijhoff opeens een stem. Zijn taalgebruik is ogenschijnlijk licht, waardoor er ongemerkt ongewone en 'verschrikkelijke' dingen naar boven kunnen komen.”
Maar het puur geluk dat men mocht
smaken: één ademtocht duurde het,
en werd verstoord.

©Rob Zuidam 2004

return to Homepage