NRC Handelsblad van 01-02-2002 Pagina 27 CS Achtergrond

Laat ons juichen Batavieren

Oranje vlammetjes van wegwerpaanstekers likken vanavond aan de duisternis, als de lichten op de tribune van de Amsterdamse ArenA doven en lage strijkers plechtstatig somberend aanzwellen voor het korte voorspel van het Nationale Huwelijkslied. De serene ernst van bassen en celli wordt met enig aplomb doorbroken door de inzet van de drummer. Na zijn kordate roffel op de tom-toms en een zilt wegklinkende bekkenslag ter markering van de downbeat, beginnen de lichtjes op de tribune langzaam op de cadans van zijn lispelende hi-hat mee te deinen. Het geluid van de gitaarlicks, beschaafd vervormd en met veel open snaren, gaat grotendeels verloren in het aanstormende gejuich van het publiek.

Zij zijn bijeen ter viering van de Nationale Feestavond, onder het motto `Meer Samen, Samen Meer'. In aanwezigheid van het prinselijk paar luistert een dwarsdoorsnede van de Nederlandse bevolking naar het nummer dat reeds enige weken haar nationale hitlijsten aanvoert: Lopen op het Water. Het rumoer van de collectieve euforie zwelt aan tot een zinderende oerschreeuw, als de vertolkers Marco en Sita op een ontspannen huppeldrafje vanuit de coulissen in de richting van het podium hollen.

Twee jaar geleden liet de Engelse kroonprins Charles zich nog wat schuchter op de foto zetten met de Spice Girls, maar nu lijkt het er toch definitief op dat de monarchie en de popmuziek elkaar omarmd hebben. Verontrustend is deze ontwikkeling niet. Popmuziek is immers volstrekt legitiem, je kunt er zelfs professor in worden. Nieuw is het wel. En goedbeschouwd is het niet eens zo'n gekke combinatie. Popmuziek voorziet de wat verstofte grandeur van de monarchie van een eigentijdse vernissage en politoert het met de glamour van idool en eendagsvlieg.

En omgekeerd verleent de royale belangstelling cachet aan de status van de popartiest. De kekke Sita, haar toet nog bol van het babyvet, is nu ineens wel even net zo `Koninklijk' als het hele Concertgebouworkest en de posterijen bij elkaar. De organisator van de Feestavond, het Nationaal Oranje Comité, belooft `een avond als een klassiek, maar hedendaags sprookje, met muziek van Bach tot Borsato en van Bernstein tot Brainpower'. Gedanst wordt er van Mokum tot Marokko, gewalst door 250 Leidse studenten en Het Nationaal Ballet. Er wordt gezongen door Willeke Alberti en op muziek uit Walt Disney-films. Dit alles om, onder aanvoering van spreekstalmeesteres Loes Luca, in een staat van lichtvoetigheid te geraken:

't is als dansen op de sterren
't is als vier seizoenen in een nacht
dit is voor een seconde
los zijn van de zwaartekracht

ik kan lopen op het water
ik kan zonlicht zien voor dag en dauw
vliegen zonder vleugels
en allemaal door jou

Lopen over Water heet van oorsprong This Mystery en is gecomponeerd door de Amerikanen Troy Verges, Brett James en Hillary Lindsey. Erg origineel kunnen we ons Nationale Huwelijkslied dus niet noemen. This Mystery is een liefdesduet dat je jezelf in een pickup-truck doet wanen, ergens op een kaarsrechte snelweg in de desolate oneindigheid van de Midwest. Uit de radio schalt een wat bronstig kelende mannenstem, met gekwelde uithalen op meer metafysische begrippen als eternity en forever. Je vermoedt een matje en huivert bij de gedachte aan de zweetdruppeltjes die parelen in zijn donker krullende borsthaar en achterlangs zijn gouden kettinkje in het ongewisse van zijn goeddeels ontknoopte overhemd verdwijnen. Hij wordt omzwermd door zijn zwijmelende sirene, zwoele muze en liefdesgodin ineen, die hem half kreunend in het oor bekent dat ze het altijd al geweten heeft.

In This Mystery is een obligaat lurkende saxofoonsolo à la Kenny G. hoogst gepast en is de modulatie, een halve toon hoger naar het slotgedeelte toe, schier onvermijdelijk. Het nummer voert ons naar het muzikale Niemandsland dat zich gapend uitstrekt tussen de zorgeloze opgewektheid van Sonny & Chers I've got you, babe en het mateloze pathos van Tristan und Isolde.

De makers van de Nederlandse bewerking, Han Kooreneef en John Ewbank, zijn er perfect in geslaagd om de nuances van het Amerikaanse palet naar polderformaat te vertalen. In Lopen op het water wordt het Midwest-gevoel van onafzienbaarheid en eindeloosheid moeiteloos getransponeerd in een specifiek Nederlandse beklemming en een onbehaaglijke landerigheid. Stroef geweeklaag van ruitenwissers over een beslagen voorruit, waarlangs benauwde tranen biggelen van Vinex-leed, afwerkplek en hangcontainer. De muziek houdt aanvankelijk het midden tussen Baantjer en de herkenningstune van een actualiteitenrubriek en vertoont vingerafdrukken van Angelo Badalamenti, de hofcomponist van filmmaker David Lynch.

Maar dan zijn daar Marco Borsato, het doorgewinterde podiumbeest en het dartele veulen Sita, eenvoudigweg happy sinds haar solocarrière een aanvang heeft genomen na haar debuut met K-otic. En weg zijn alle reserves; in een seconde breekt er zonlicht door het muzikale wolkendek heen. De vragen die door de tekst bij me worden opgeroepen – is een eeuwigheid alleen nu bedoeld als een straf of een zegen? en is een tel met jou zelfs voor een konijn niet reeds veel te kort? – druipen af in het volle besef van hun irrelevantie.

Marco en Sita heersen soeverein over de zeven wereldzeeën en overspoelen mij met een vloedgolf van weemoedig stemmende reminiscenties aan legendarische zangduo's uit een roemrucht verleden: Sandra en Andres, Mouth and MacNeal, Saskia & Serge. Daar passeren Elly en Rikkert de revue, een nog heidens-frivole Gert en Hermien, Bonnie St.Claire met Albert West en de onvergetelijke Frank en Mirella: ,,Ik krijg zo'n heel apart gevoel van binnen, als ik jou aankijk, lieve schat.'' Grootheden. Titanen van het laaglandse levensgevoel. Iconen wier borstbeelden op Mount Rushmore-formaat in de Hondsbossche Zeewering dienen te worden uitgehouwen. Door regen en zuidwester geciseleerd, hebben zij zich in ons collectieve geheugen gegrift. Als wij een liefdesduet gaan maken, dan komt er dus ongeveer zoiets uit.

Bij het huwelijk van de Noorse kroonprins Haakon en de voormalige aardbeienplukster Mette-Marit in september vorig jaar, klonk er een speciaal voor de gelegenheid gecomponeerde bruidsmars van Nils Henrik Asheim (1960). Voorts bracht de uit Lapland afkomstige vocaliste Mari Boine er enige liederen in de Sami-taal ten gehore; muziek met een pure en oeroude, ruige schoonheid van gorgelend jubelende keelklanken. Hoogtepunt van de muzikale omlijsting, aldus een woordvoerder van de Noorse ambassade, vormde het `Bruidslied van Gudbrandsdalen', dat gespeeld werd terwijl het paar de kerk verliet. Deze door iedere Noor gekende traditionele volksmelodie, werd vertolkt door de wereldvermaarde saxofonist Jan Garbarek. Hij werd ondersteund door het orgel en een cross over-ensemble waarvan het instrumentarium deels uit de Noorse volksmuziek afkomstig was.

Muziek is voor vorstenhuizen van oudsher een middel tot image-building geweest. Het niveau en het temperament van de muzikanten en componisten waar men zich mee affilieerde, gaf aan hoe men graag door de wereld gezien wilde worden. Hofmuziek kende grofweg een tweeledige functie. Het diende voor het uiterlijke vertoon, gespierd klaroengeschal en martiaal gehoempa voor bij officiële ontvangsten en parade's. En het was bedoeld voor meer intiem gebruik, als tafelmuziek, levende jukebox ter private ontspanning, of een concert. Soms hing een hofkapel er maar een beetje bij, omdat de vorst niet door de muzen geroerd werd. Maar vaak was het ook pure liefhebberij. Lodewijk XIV danste zelf naar hartelust mee op de balletten die Jean-Baptiste Lully (1632-1687) voor hem componeerde. Al moet hierbij gezegd worden dat de choreografieën een zeer statig karakter hadden en de Zonnekoning waarschijnlijk niet als een Noerejev over de bühne zwierde.

Een enkele vorst waagde zich ook wel eens aan het componeren, zoals de Spaanse koning Alfons de Wijze, Frederik de Grote en diverse Ottomaanse sultans. Wat de Oranje's betreft, ligt het zwaartepunt van hun muzikale ambities in de Stadhouderlijke periode. Op instigatie van Constantijn Huygens (1596-1687), de secretaris en vertrouweling van stadhouder Frederik Hendrik, ontstond er een hofkapel, die psalmen, madrigalen en airs de cour ten gehore bracht. Een belangrijke impuls was de komst van prinses Anna van Hannover (1709-1759). Opgegroeid aan het Engelse hof, werd zij om politieke redenen uitgehuwelijkt aan de stadhouder van Friesland, de latere Willem IV. Ze had in Londen les gehad van hofcomponist Georg Friedrich Händel (1685-1759), die haar de `flower of princesses' noemde, wegens haar uitmuntende zangstem en klavecimbelspel.

Voor haar huwelijksfeest componeerde Händel een hymne en het oratorium Il parnasso in festa per gli sponsali di Teti e Peleo, omtrent het bruiloftsfeest van Thetis en Peleus. Anna van Hannover organiseerde tal van concerten, in Leeuwarden en later in Den Haag en op paleis het Loo, waar zij een orgel liet bouwen. Ook de echtgenote van stadhouder Willem V, Wilhelmina van Pruisen (1751-1820) had in Berlijn een gedegen muzikale opleiding genoten bij haar oom, Frederik de Grote. Voor de inhuldiging van Willem V in januari 1766 schreef de toen negenjarige Mozart, een paar maanden op bezoek in Den Haag, acht variaties op het lied Laat ons juichen Batavieren, alsmede een paar variaties op het Wilhelmus.

Het Wilhelmus ligt natuurlijk aan de basis van de relatie tussen muziek en het Huis van Oranje. Het plechtstatige tempo waarin het altijd wordt uitgevoerd, en dat het zo geschikt maakt voor voetballers om ongehinderd winden te kunnen laten voorafgaande aan de match, is een product van de Romantiek. Het Wilhelmus is een strijdlied, dat oproept tot verzet tegen tirannie en onderdrukking. De melodie is ontleend aan een Frans lied dat klonk bij het beleg van Chartres in 1568, door de protestantse prins van Condé. Als je het sneller en met meer bravoure en strijdvaardigheid zingt, dan kom je ook wat makkelijker door die vijftien coupletten heen. De versie van Loekie de Leeuw, met het opgefokte elektrische gitaargeluid, benadert dus vooralsnog het dichtste de optimale uitvoering.

Een betrekking als hofmuzikant was altijd gewild, wegens het veelal interessante repertoire en de luxueuze arbeidsomstandigheden. Maar politieke en economische factoren maakten het bestaan als hofmuzikant ook broos en onzeker. Een goed beeld hiervan schetst de correspondentie tussen Jean Malherbe en zijn echtgenote Christina van Steensel, uitgegeven onder de titel Het is of ik met mijn lieve sprak. Tijdens de turbulente periode van de Patriotse Revolutie in 1787, raakte Malherbe, hofviolist in de kapel van stadhouder Willem V, op drift. De Oranjes moesten uitwijken naar Nijmegen en Breda en Malherbe moest zijn vrouw en kinderen behoeftig achterlaten in Den Haag. ,,Ik hoop maar dat ue de koste van het eeten vergoet sulle worde, anders sou het alweer schaa voor ons weese en ons alweer terug sette.''

In het Koninklijk Huisarchief in Den Haag bevinden zich tal van compositorische huldeblijken aan ons vorstenhuis, veelal vervaardigd voor gelegenheden als huwelijk en kroning. Daar zitten soms verrassend gloedvolle ode's tussen, zoals de Feestcantate die hofcomponist Johann Lübeck (1798-1865) schreef voor koning Willem III. Maar ook oerkomische curiosa, als het Koninginnelied van Willem Gerard Nicolaï (1829-1896), een diepreligieus eerbetoon aan regentes Emma en de aankomende vorstin Wilhelmina. Nicolaï, die tevens een opera over Bonifatius en diens rechterhand Lullo vervaardigde, laat een dreutelend orgel en een zich beurtelings met wandelverenigingachtige slogans afwisselend vrouwen- en mannenkoor op magistrale wijze vastlopen, als een fiets in het rulle zand.

Verder bevat het archief tal van muzikale hommage's aan vorst en vaderland die door bovenmeesters, boekhouders en tambour-mâitre's van fanfarekorpsen in de spaarzame vrijetijdsuren werden vervaardigd. Maar hoe verrassend sprankelend, of tenenkrommend knullig deze uitingen van huisvlijt ook mogen zijn, ze getuigen in elk geval van meer oprechtheid dan de opgewarmde hap die het Nationaal Oranje Comité aan onze toekomstige monarchen voorschotelt.

Hoogtepunt van de Feestavond in de ArenA, het postmoderne Paleis voor de Volksvlijt, vormt de overhandiging van het Nationaal Huwelijkscadeau aan het aanstaande bruidspaar. Dat zal, vermoed ik, bestaan uit de Surpriseshow-achtige verschijning van de ouders van Máxima. Een mooier geschenk voor een dochter dan de aanwezigheid van haar ouders op haar huwelijk is immers niet denkbaar. Al het overige is een tikje minder. Ze stappen uit een levensgrote voetbal, een replica van de bal waarmee we in 1978 de finale van het WK voetbal in en tegen Argentinië speelden. En verloren. Ze worden omgeven door een haag van witte hoofddoekjes, meisjes van de islamitische basisschool in Drachten, die de Dwaze Moeders verbeelden, een kwarteeuw lang liefdevol veronachtzaamd. Er dwarrelt een behaaglijke regen van rozenblaadjes en ganzendons en het geurt naar mirre en etherische oliën. Op een podium op de achtergrond, in een Romeinse lusthof-achtige setting, tokkelt Mies Bouhuys op de harp en knoopt de echtgenote van Kok een wandtapijt waarop alle windrichtingen zich in een regenboog samenvoegen. Verbazing alom. Verwarring en uiteindelijk vreugdetranen, die het kijkcijferkanon twintig saluutschoten zou doen afvuren bij het aanschouwen van een dergelijk Efteling-totaaltheater. Maar helaas, we zijn een sneu en weinig grootmoedig volk. We willen de mensheid doen verbroederen en proberen tegelijkertijd de band tussen ouders en hun dochter af te knijpen; en vinden niet dat dit getuigt van een merkwaardige kijk op menselijke verhoudingen.

 

cd: `In Naam van Oranje – de mooiste feestmuziek geschreven voor het Koninklijk Huis'. Tamara Rumiantsev en Jeroen van Veen, piano. MoMu 15002/109-VKZ

boek: `Het is of ik met mijn lieve sprak', uitg. Verloren, Hilversum. Egodocumenten deel 9, ISBN 90-6550-128-2

© 2002 Rob Zuidam