Mooi abrupt of abrupt abrupt

                    

NRC Handelsblad van 02-06-2000 Pagina 27 CS Recensie/Achtergrond

 

Claude Vivier? Hoe zijn werkelijke naam luidde was deze Canadese componist niet bekend. Het was de naam die zijn adoptie-ouders hem op driejarige leeftijd hadden gegeven. Omstreeks 14 april 1948 werd hij geboren in Montréal. Op 8 maart 1983 werd hij in zijn Parijse appartement door messteken om het leven gebracht, door een minnaar die hij op straat had opgepikt. Naderhand trof men op de piano in zijn werkkamer zijn laatste compositie aan: Glaubst du an die Unsterblichkeit der Seele, voor gemengd koor, drie synthesizers en percussie. Het stuk handelt over iemand die een jongeman met een vreemde, onthutsende aantrekkingskracht ontmoet en daarmee tegelijkertijd zijn dood tegemoet treedt. Claude Vivier liet een veertigtal werken na, waarvan sommige tot de opmerkelijkste behoren die de laatste decennia van de twintigste eeuw hebben voortgebracht.

Laaghangende wolken jakkeren over braakliggende grond die door graafmachines is omgewoeld en scheren langs oude fabrieksgebouwen, deels in verval. De Nederlandse Opera en de muzikanten van het ASKO/Schönberg Ensemble hebben het pluche van het Amsterdamse Muziektheater achtergelaten en het kamp opgeslagen op het terrein van de voormalige Westergasfabriek. De uit 1902 daterende bolvormige gashouder, opgetrokken uit baksteen en indrukwekkend veel metaal, heeft met zijn afbladderende verf en roestplekken aan het plafond wel iets van een schilderij van Anselm Kiefer. Het vormt een perfecte locatie voor de enscenering van Claude Viviers Rêves d'un Marco Polo. Een week voor de première van deze `opéra fleuve' gonst het er van de activiteiten, vooral nu er weldra een doorloop zal beginnen. Mezzo-sopraan Kathryn Harries zit, gehuld in een kostuum van glimmend beige vinyl, haar partij door te nemen op de tribune, terwijl er overal om haar heen gesjouwd wordt met licht en rekwisieten. Midden op de speelvloer neemt regisseur Pierre Audi met elegante, afgeronde gebaren mise-en-scène's door met de zangers. Dirigent Reinbert de Leeuw geeft speelaanwijzingen aan de muzikanten en instrueert de techniek omtrent het volume van de versterking. Zijn stemgeluid wordt deels overwoekerd door de pianist, die snelle uitwaaierende loopjes, uitmondend in brede pulserende akkoorden, repeteert.

De liefde van Pierre Audi voor Claude Viviers muziek zit diep: ,,Het fascineert me omdat zijn muziek volkomen doet wat hij wil, zonder codes, zonder vooropgezet plan, zonder zich iets af te vragen. Het is muziek die het leven omarmt, emoties verklankt. Bij het betreden van zijn geluidswereld, zoek ik naar punten van herkenning, dwaal er in rond tot ik in eenzelfde staat beland. Ik wil in mijn enscenering de naaktheid van Viviers muziek tonen, in plaats van haar op te tuigen.''
Met Rêves d'un Marco Polo gaat een lang gekoesterde wens van Audi in vervulling. Zijn eerste operaregie, tijdens het Londense Almeida Festival in 1985, was de Europese première van Kopernikus, Viviers `rituele opera van de dood'. Het was Audi meteen duidelijk dat hij dit stuk nogmaals wilde doen, maar dan op een grotere schaal, in combinatie met andere composities. Het concept voor een `opéra fleuve', een bundeling van reeds bestaande werken tot een groot project, is afkomstig van Vivier zelf, zo blijkt uit documentatie van de Canadese Fondation Vivier.
,,Een opera over ontdekkers en dromers'', stond hem voor ogen. Maar het was hem niet gegeven dit idee te realiseren, al vervaardigde hij in 1981 een Prologue pour un Marco Polo. Pierre Audi en Reinbert de Leeuw kozen naast Kopernikus (1979) zes werken uit Viviers oeuvre, samen een drie uur durend muziektheaterwerk, dat verspreid over twee avonden wordt uitgevoerd. In een decor van steigers, perspex, houten kisten en ladders schuifelt een vrouw langzaam voorwaarts. Ze staart in het niets, de grond voor haar voeten behoedzaam aftastend met een boomtak, zingt ze: ,,Wo bist du, Licht?'' Eerst breed uitgesponnen en klaaglijk, maar geleidelijk aan steeds meer geëxalteerd en pregnant. De muziek is gloedvol en contemplatief van karakter, maar heeft voortdurend een onrustbarende, gewelddadige ondertoon. Simpele zielen, ik ook, hechten veel waarde aan een verhaallijn. In een complex medium als muziektheater vormt de verhaallijn vaak het handvat om greep te krijgen op de materie. Het is het verschil dat een doosje lucifers kan uitmaken, als je dolende bent in het gangenstelsel van een verlaten mijn.

Het muzikale drama van Claude Vivier ontbeert veelal iedere verhaallijn. Toch weet het je recht in het hart te raken. Het heeft eerder iets van een magisch en geheimvol ritueel, nergens zweemt het naar intellectualistisch geneuzel. Bij het `Wo bist du, Licht?', verlies je na verloop van tijd iedere distantie. Door de zeggingskracht van de muziek ga je je deelgenoot voelen van de zoektocht, het verlangen en de eenzaamheid van de blinde vrouw.
Vivier: ,,Doordat ik niet wist wie mijn vader en moeder waren, kwam ik in een schitterende droomwereld terecht. Ik gaf zelf vorm aan mijn afkomst en deed alsof ik vreemde talen sprak.'' In Rêves d'un Marco Polo worden er, naast Frans en Duits, tal van verzonnen talen gesproken. Er doemen flarden van stemmen op uit luidsprekers, Martin Luther King, stukken tekst van Friedrich Hölderlin. Daarnaast produceren de zangers allerlei geluiden, het rillen van de kou, het sidderen van angst, welke nauwgezet staan aangegeven in de partituur. Ze maken verschillende soorten vibrato door snel met een hand op en neer langs de mond te bewegen. Het oogt als het krijgsgehuil uit oude indianenfilms en brengt gorgelende, vervreemdende klanken teweeg.

Stemmen zijn instrumenten in Viviers muziek, en instrumenten stemmen. In Kopernikus waaieren de acht muzikanten uit over het toneel en maken samen met de zangers deel uit van de enscenering. Het levert muzikale effecten op, doordat het geluid zich voortdurend verplaatst en zich in nieuwe formaties hergroepeert. Maar de interactie met de zangers leidt ook tot verrassende en theatraal spannende momenten. Sopraan Judith Vindevogel zingt in een lange papieren koker, aan het andere uiteinde daarvan speelt hoboïste Marieke Schut de melodie met haar mee. De grommend lage pedaaltonen verlenen aan trombonist Toon van Ulsen en basklarinettist Harry Sparnaay, leunend tegen een wandje, iets van duister gezinde lieden in een hangcontainer. Deze in de opera hoogst ongebruikelijke werkwijze heeft enorm veel moeite gekost. Het betekende dat de muzikanten de beslist niet eenvoudige partituur van Kopernikus uit het hoofd moesten leren en de onderlinge communicatie zorgvuldig op elkaar afstemmen.
Viviers persoonlijke zoektocht valt samen met een muzikale zoektocht. ,,Muziek is voor mij het ideale middel om uiting te geven aan mijn verlangen naar zuiverheid.'' Na aanvankelijke studies aan een seminarie en het conservatorium van Montréal, vertrok hij in 1971 naar Utrecht, waar destijds het Instituut voor Sonologie was gevestigd en later naar Keulen, om er bij Karlheinz Stockhausen te studeren.

 

Veel belangrijker voor zijn muzikale ontwikkeling waren zijn lange reizen. Iran, India, Bali en Japan, het Verre Oosten oefenden op Vivier een grote aantrekkingskracht uit. Hij vond er zijn artistieke rijpheid. ,,Ik realiseer me heel duidelijk dat het een reis naar mijn innerlijke was.'' In stukken als Et je reverrai cette ville étrange (1981), of Pulau Dewata (1977) zijn de uiteenlopende invloeden van Aziatische muziek vrij eenvoudig te bespeuren. Toch heeft het nergens iets van chinoiserie, effectbejag of onoprechtheid. Viviers muzikale taal is altijd zeer persoonlijk van aard.
Reinbert de Leeuw: ,,Ik vind de trefzekerheid van Viviers muziek zo verbijsterend. Het kent geen twijfel, al die stukken zijn meteen raak. Je herkent zijn muziek ook ogenblikkelijk. Ik vind het fascinerend hoe hij in zijn latere stukken steeds meer terugkomt op een bijna eenstemmige melodie, vaak met prachtige, kleurrijke harmoniën daarboven.''

`Zipangu' was het woord voor Japan, in de dagen van Marco Polo en Kublai Khan. Het was ook het land waarnaar Columbus op zoek ging, toen hij westwaarts zeilde. In Claude Viviers belevingswereld staat Zipangu voor de verbeelding, het moeilijk bereikbare eiland waar onmetelijke rijkdom te vinden is. In dit uit 1980 daterende stuk wordt een strijkorkest elektronisch versterkt en in twee groepen opgedeeld. De rechterhelft zet een zachte pedaaltoon in octaven neer, welke geleidelijk aanzwelt en overgaat in huiveringwekkend gekras. Hieroverheen legt de andere helft van het orkest een langgerekte melodielijn.
Zipangu lijkt onder stroom te staan. Het is muziek van een ongekende intensiteit. De verschuivende klankmassa's hebben een vergelijkbare directheid en emotionele lading als het geval is in de muziek van Sofia Gubaidulina (1931), de noeste oude dame uit St.Petersburg. Ook kan men in melodisch opzicht invloeden van Olivier Messiaen (1908-1992) bespeuren. Maar evenzogoed vertoont de rauwe, compromisloze sonoriteit van het klanklandschap sporen van de industrial noise van een groep als Einstürzende Neubauten, welke begin jaren tachtig in zwang was.

In Zipangu en Lonely Child (1980) is Claude Vivier op zijn best. Zijn meest opmerkelijke stukken ontstonden allemaal in de laatste vijf jaar van zijn leven. Jammer genoeg maakt Bouchara (1981) geen onderdeel uit van het Rêves d'un Marco Polo-project. Dit liefdeslied in een verzonnen taal, waar in de partij van de zangeres niet één tel rust voorkomt, staat wel op de cd die het ASKO/Schönberg-Ensemble uitbracht met werk van Vivier.

`Ik was misschien koud

het was niet zozeer dood zijn

waarvoor ik bang was

als wel dood gaan'

Het zijn de laatse strofen uit Glaubst du an die Unsterblichkeit der Seele, Viviers kroniek van een aangekondigde dood. Nog geen twee pagina's later houdt de partituur plotsklaps op, midden in een zin. Vanwege dit abrupte einde, bestaat er onenigheid over het feit of het stuk nu voltooid is of niet. Er staat geen dubbele maatstreep aan het eind, noch een datum of een handtekening, zoals in de andere partituren van Vivier het geval is. Het plaatsen van een dikke streep aan het slot is voor componisten vaak een symbolische daad, waar een enorm gevoel van opluchting, blijdschap of zelfs rancune in verscholen kan liggen. Maar men zou in het ontbreken ervan in Glaubst du... natuurlijk een bepaalde poëzie kunnen zien, de dood komt over het algemeen immers onverwacht. En in de allerlaatste maat luidt de tekst voor de spreekstem bovendien: `Hij nam een dolk en stak me midden in mijn hart.'
Waar het werkelijk om draait is natuurlijk of de muziek mooi abrupt, of abrupt abrupt eindigt. Gelukkig is het eerste het geval. Het is alleen de sopraan die resoluut wordt afgekapt, aan haar zin ontbreekt het woord peur (angst). De statische klankvlakken van het koor en de instrumenten die haar begeleiden, ebben langzaam weg en verdwijnen met een laatste fluisterzacht murmelend tremolo in het niets.

 


©Rob Zuidam 2000

return to Homepage