Mijn moeder was pianiste, mijn vader uitvinder

--------------------------------------------------------------------------------

NRC Handelsblad van 17-05-1996 Pagina 5 CS Interview

Druilerige motregen verleent een weemoedige glans aan de Brusselse kasseien, die er op deze grijze zondagmiddag bijna geheel verlaten bijliggen. Binnen, in het Koninklijk Circustheater gonst het echter van de activiteiten: er wordt gezongen, mise-en-scène's worden gezet, hoog in de nok van de zaal kruipen technici over metalen loopbruggen om het licht in te hangen. Veel mensen krioelen door elkaar en niemand schijnt elkaar in de weg te lopen. De voorbereidigen voor de première op 21 mei van de opera A King, Riding van Klaas de Vries zijn in volle gang.

Klaas de Vries is niet bang voor Virginia Woolf. Lang koesterde hij de gedachte om haar uit 1931 stammende roman The Waves te gebruiken als basis voor een muziektheaterstuk. “Het boek is in zekere zin gestructureerd als een muzikale compositie. Door de introducties, die buiten het verhaal staan, de grote cyclische vorm en de zes personages, die verschillende thema's als in een soort contrapunt onderling weerkaatsen. Marguerite Yourcenar, die de Franse vertaling van het boek verzorgde, spreekt in haar voorwoord ook van: Un livre à six personnages, à six instruments plutôt. Dit idee van een verhaal dat als een muziekstuk geconstrueerd was, intrigeerde mij. Ik besloot deze verhaalstructuur als model te gebruiken en over te hevelen naar mijn eigen compositie.”

De romans van de Engelse schrijfster Virginia Woolf (1882-1941) zullen vanwege hun complexiteit ontbreken op de meeste boekenlijstjes van eindexamenkandidaten. Ook The Waves is niet licht te doorgronden. Het boek dient in de eerste plaats als autobiografisch te worden opgevat. Hierbij is er echter geen sprake van één stroom van herinneringen, maar worden haar reflecties geuit door zes personages, die verscheidene facetten van haar persoonlijkheid weerspiegelen. Deze zes personages hebben één ding gemeen: allen adoreren Percival, een zevende figuur. De Vries: “Het wordt in de roman nooit helemaal duidelijk of Percival echt bestaat of dat hij een soort gemeenschappelijke fantasie is. Als een soort gedagdroomd, ideaal vriendje zoals je dat als kind weleens hebt. Vast staat dat Percival voor Virginia Woolf haar overleden broer symboliseerde, het idool in haar eigen leven. Het goede van het verhaal vind ik dat het allemaal heel dichtbij staat. Het gaat over kleine, vaak alledaagse gebeurtenissen en de emoties die zij katalyseren. Daarmee transformeert het zichzelf van iets autobiografisch in iets heel herkenbaars, iets wat op vrijwel iedereen van toepassing is. Het is een soort Elckerlijck-verhaal. Het bevat geen dramatische handelingen in de vorm van schokkende gebeurtenissen of heroïsche daden. De dood van Percival en de totale verlorenheid die dit bij de zes personages teweegbrengt, dát is in dramatisch opzicht het hoogtepunt, of misschien beter: het breekpunt van het verhaal.

“Bij het maken van het libretto, heb ik de roman als het ware uitgehold tot een minimum. Een residu, een synopsis bijna, met dezelfde zeggingskracht en intenties als het origineel. De titel voor het stuk is afkomstig uit een zin uit het boek: a King, riding on random water. Hoewel het materiaal er natuurlijk al lag, was het niet eenvoudig om de juiste keuzes te maken uit de vaak cryptische uitspraken van de personages. Alle directe referenties, ze praten bijvoorbeeld ergens over het Londen van de jaren twintig, heb ik achterwege gelaten. Het enige dat ik heb toegevoegd is een aantal zinnen uit eerdere versies van The Waves, die Virginia Woolf naderhand geschrapt heeft, maar die ik heel mooi en bruikbaar vond. Toch bleef ik aanvankelijk nog met zoveel tekst zitten, dat het een opera van vier, vijf uur zou worden. Gaandeweg, bij het componeren van de muziek, heb ik het gecondenseerd tot twee uur en een kwartier.

“Ik denk dat A King, Riding toegankelijker, transparanter is dan het boek. Juist doordat het in aanleg als een muziekstuk is gedacht, komt die vorm nu veel duidelijker naar voren. Ook de onderlinge verbondenheid van de personages, het feit dat ze met zijn allen eigenlijk één organisme vormen, is veel beter zichtbaar. Virginia Woolfs frustratie omtrent haar roman was, dat ze er toch niet in slaagde om die personages werkelijk simultaan aan het woord te kunnen laten. Dat is in literatuur per definitie onmogelijk, maar in het theater eenvoudig realiseerbaar.”

 

In de jaren tachtig schreef Klaas de Vries reeds de kameropera Erendira, gebaseerd op het gelijknamige verhaal van de Colombiaanse schrijver Gabriel Gárcia Márquez. Zijn fascinatie voor muziektheater gaat echter heel wat langer terug: “Toen ik een jaar of dertien was, had ik een vriendje, Simon, op de middelbare school in Groningen. Hij kende Belcampo, oftewel de heer Schönfeld. Dat was een zonderlinge figuur. Als studentenarts ging hij altijd op patiëntenbezoek per calêche, met paard en rijtuigje. Belcampo was verzot op opera en ging naar alle voorstellingen van Opera Forum in Groningen. Op een keer nodigde hij ons mee uit. Het was Puccini's La Bohème. Ik was perplex. Ik weet niet meer precies welke scène het was, maar er waren veel mensen op het toneel en er was ook van alles gaande in de muziek. Met tranen in mijn ogen dacht ik bij mezelf: Jezus, dat dit allemaal kàn, in opera.”

Inmiddels is echtgenote Gerrie, tijdens een pauze in het repetitieproces, ook aangeschoven. Ze verdwijnt echter meteen onder een handdoek, om boven een dampende schaal kokend heet water te gaan zitten stomen. Een venijnig en hardnekkig virus waart door het theater en pleegt thans een aanslag op het opvallende, warme timbre van deze mezzo-sopraan. De Vries vervolgt: “Mijn moeder was pianiste. Mijn vader was uitvinder. Een echt Willie Wortel-type. Hij was altijd met van alles bezig. Van hem heb ik die grote passie om totaal op te kunnen gaan in mijn werk. Het blijven zoeken naar oplossingen voor problemen, nieuwe openingen creëren. Hij werkte voor energiebedrijven. Daar ontwikkelde hij nieuwe systemen voor energiecentrales, is ook nog een tijdje met kernenergie bezig geweest. Maar als iets routine werd, dan ging-ie ruzie maken: als dít en dát niet gebeurt, volgens de meest geavanceerde methodes en met de meest duurzame materialen, dan neem ik hier op stáánde voet ontslag!!! Meestal zeiden ze dan: nou, meneer de Vries, dan gaat u toch? Omdat wat hij wilde meestal te kostbaar of te ingrijpend was. Dan verhuisden we weer naar een ander deel van het land en begon hij weer aan iets volkomen nieuws. Zodoende was ik, na in 1944 in Terneuzen geboren te zijn, op mijn dertiende na de nodige omzwervingen in Groningen terechtgekomen. Daar werkte mijn vader voor rijwielfabriek Fongers. Die had een geheel nieuwe produktielijn nodig voor een in aanbouw zijnde fabriek en dat was koren op zijn molen.”

 

De oude de Vries heeft zijn geestdrift en doorzettingsvermogen onmiskenbaar op zijn zoon overgedragen. Maar toen mij ter ore kwam dat deze het plan had opgevat om in A King, Riding ruimhartige gebruik te maken van elektronica en computergestuurde geluidsmodules, sloeg mij eerlijk gezegd de schrik even om het hart. Het technische vernuft van de Vries jr. is niet van dien aard dat hij in staat mag worden geacht om achteloos een hogesnelheidslijn in elkaar te knutselen. Ik herinner me, als student op het Rotterdams Conservatorium, hoe De Vries tijdens de lessen twintigste-eeuwse muziekgeschiedenis ter illustratie van zijn betoog weleens overging tot het opzetten van een plaat: als een neerstortende Boeing boorde de pickup-naald zich meedogenloos in het vinyl. Negen van de tien keer waren we aan de verkeerde kant van de lp beland. Het 'hèè, waarom doet-ie het nou niet?' had veelal te maken met de naar contact hunkerende stekker, die ergens levenloos achter een kast bungelde.

De Vries: “Ik heb lang niet veel opgehad met elektro-akoestische muziek en wist nie hoe dat werkte. Voor mij hoefde het niet zo nodig. Tot ik een paar jaar geleden op het Ars Musica-festival Daydreams, voor marimba en elektronica, van Philippe Boesmans hoorde. Zijn verstand van techniek is enigszins vergelijkbaar met het mijne. Boesmans vertelde me dat hij in Luik in een studio met Jean-Marc Sullon werkte. Deze bleek over een uitstekend vermogen te beschikken om mijn vage omschrijving van klankvoorstellingen, en mijn in het begin gebrekkige notatie, om te zetten in reëel geluid. Iets waar ik vat op had en vanwaaruit ik steeds verder kon definiëren waarnaar ik precies op zoek was.

“Een ander punt is, dat in The Waves de beschrijvingen van de natuur en de ruimte waarbinnen dingen zich afspelen een nadrukkelijke rol spelen. Vaak waan je je in het verhaal in één grote ruimte, die voortdurend van proporties en van hoedanigheid verandert. Dit principe wilde ik overplanten in de muziek. Geluid moest kunnen reizen, van de ene kant van de zaal naar de andere. Signalen wilde ik elkaar vanuit alle uithoeken laten beantwoorden, of met elkaar laten meevoeren. Dan bestaat er maar één mogelijkheid: dit bereik je door middel van elektronica.”

In A King, Riding zijn tevens drie gedichten verwerkt van de Portugese dichter Fernando Pessoa (1888-1935). Diens proza vormt een al oudere liefde van Klaas de Vries. Het sluit in zekere zin aan bij het werk van Virginia Woolf. Ook Pessoa splitst zijn eigen identiteit op in heteroniemen: in een aantal verschillende dichters, met elk een eigen oeuvre, die ook over elkaar gedichten schrijven.

“Een aantal situaties in The Waves maakt een verbinding met Pessoa zeer wel mogelijk. Zo zingt Rhoda, een van de personages, op een bepaald moment: The lights of the world have gone out. Het gedicht 'Abdicatie', handelend over een koning die afstand doet van al wat hij bezit, sluit hier naadloos op aan. De Pessoa-gedichten vormen in muzikaal opzicht drie zeer markante plekken. Ze zijn bedoeld als een opzettelijke breuk met de doorgaande stroom van The Waves, ze werken net als de koralen in een Bach-passie, de knop gaat rigoreus om.”

 

A King, Riding beantwoordt in veel opzichten aan het ideaal van die Abstracte Oper van Boris Blacher: geen burleske taferelen, geen jonge meisjes die zich van de kasteelmuur storten teneinde hun onschuld te bewaren. In zekere zin is A King, Riding net zomin een gangbare opera, (De Vries spreekt zelf liever van een 'scenisch oratorium') als The Waves een reguliere roman is. Beide zijn veeleer een emotionele seismografie. De Zwitserse regisseur Christoph Marthaler lijkt bij uitstek de gewezen persoon om deze series of dramatic soliloquies vorm te geven. Het is zijn specialiteit om met heel minimale middelen een maximum aan expressie te creëren. Een oogopslag, een schier achteloos stapje naar links. Het kan, mits juist getimed en met souplesse uitgevoerd, een groter dramatisch effect sorteren dan een kanonschot.

Het zijn vooral dit soort dingen waar deze middag aan geschaafd wordt. De zangers markeren meer dan dat ze voluit zingen. Tussen de regie-aanwijzingen door werpt dirigent Reinbert de Leeuw zich op het coördineren van de instrumentale solisten, die in een halve cirkel over het balkon verspreid zitten. In het decor worden her en der nog wat rekwisieten op hun bruikbaarheid getest. Het is het meest fascinerende stadium van muziektheater: het moment dat alle afzonderlijke elementen bij elkaar komen om tezamen een mengsel te gaan vormen. Een opera is als een groot schip, dat, eerst in onderdelen en later op de werf, nauwgezet in elkaar wordt gemonteerd. Pas bij de tewaterlating blijkt of het ook daadwerkelijk zeewaardig is.

Boven de toog van het vermaarde en onvermijdbare Brusselse café A la Mort Subite hangt het portret van de kersverse Belgische koning Albert. Hij is een fervent motorrijder en staat op deze foto dan ook afgebeeld met zijn onberispelijk glimmende Harley Davidson. In gedachten zie ik hem gaan: A King, Riding door het soepel glooiende Vlaamse land. Zijn lokken, voor iemand van koninklijke bloede toch nog vrij modieus gekapt, fier wapperend in de wind. Zijn kroon dient hem als valhelm, zijn scepter als combinatietang in geval van panne. Kijk uit voor de spaken met die hermelijnen mantel!

Abdicatie

Neem mij in uw armen, o eeuwige nacht

En noem mij - koning die ik ben - uw zoon.

Vrijwillig deed ik afstand van mijn troon

Van dromen, die mij slechts vermoeidheid bracht.

Mijn zwaard is zwaar, mijn armen zijn ontkracht

Een kalme, mannelijke hand heeft het genomen;

Mijn scepter heb ik neergelegd, mijn kroon

Versplinterde symbolen vroeger macht.

Mijn maliënkolder, nu zo nutteloos Mijn sporen, rinkelend en waardeloos

Heb ik achtergelaten op de koude trap.

'k Ontdeed mij, ziel en lichaam, van mijn koningschap

En keerde terug tot de aloude en kalme nacht

Gelijk het landschap bij het sterven van de dag.

FERNANDO PESSOA

Uit: Cancioneiro

Vertaling August Willemsen

 

©Rob Zuidam 1996

return to Homepage