Zang houdt de boel op

-------------------------------------------------------------------------------

NRC Handelsblad van 23-11-2001 Pagina 22 CS Portret


door Mischa Spel

Componist Rob Zuidam over eigen werk en over opera

De Matinee op de Vrije Zaterdag wijdt morgen een portret aan componist Rob Zuidam. ,,Slechte poëzie vormt een dankbare inspiratiebron.''

Voor het raam van zijn kleine werketage aan de Amsterdamse Nieuwmarkt kijkt componist Rob Zuidam (Gouda, 1964) uit over de Waag, de junks, toeristen en bewoners. ,,Zie je die man in de beige regenjas? Hij is een van mijn favoriete passanten. Elke dag volbrengt hij trouw hetzelfde ritueel, strompelt op krukken over het plein en koopt beneden in de supermarkt zijn halveliterflessen bier.''

Het uitzicht inspireert Zuidam. Inderdaad verraadt zijn oeuvre een voorkeur voor rauwe, uit het leven gegrepen thema's. Een beenloze zwerver met zwerende wonden, door Zuidam in de New Yorkse metro gesignaleerd en in het vocaal octet Nella Cittá Dolente (1998 – op teksten van Céline, Dante en Rimbaud) in noten verpakt. Zijn eerste opera Freeze (1994); over de ontvoerde mediatycoonsdochter Patty Hearst die overloopt naar het kamp van haar gijzelnemers. En, als voorlopig hoogtepunt, The Tay Bridge Disaster (1999), waarin een spoorbrug instort en de passerende trein roemloos mee de diepte in wordt gesleurd. Zuidam laat een coloratuursopraan de wrede dood van de negentig inzittenden `verklanken' door evenzoveel pingpongballetjes over het podium uit te strooien en de onschuldig plokkende balletjes vervolgens driftig stuk te trappen.

,,Wat mij drijft is een fascinatie voor de menselijke natuur en de bonte verschijningsvormen daarvan'', verklaart Zuidam. ,,Maar het is niet zo dat ik vanuit een bewuste behoefte naar dit soort onderwerpen op zoek ga. De gekste dingen gebeuren vanzelf, onder mijn raam. Daar ga ik dan mee aan het werk. De ervaring leert dat randfiguren en -verschijnselen inspireren tot interessantere muziek dan normale mensen en situaties.''

Zuidam wilde van kindsbeen af `iets doen met muziek en tekenen'. Hij speelde piano, werd gestimuleerd zelf nieuwe slotmaten te verzinnen voor de stukken die hij studeerde en wendde die vaardigheid later ten eigen bate aan in een punkbandje. Tijdens zijn studie compositie bij Philippe Boesmans en Klaas de Vries aan het Conservatorium in Rotterdam ontwikkelde hij zich tot een componist die zonder gêne put uit Oegandese volksmuziek, pop, rock, jazz, salsa en `kunstmuziek' van nul tot nu. Veel aanmoediging kreeg hij op het Amerikaanse zomermuziekfestival Tanglewood, waar hij studeerde bij Lukas Foss en de Koussevitzky Composition Prize won. In 1999 was hij er gastdocent, in 2003 zal zijn tweede, voorlopig nog naamloze opera er in première gaan.

In de jaren negentig pendelde Zuidam heen en weer tussen zijn twee huizen in New York en Amsterdam, inmiddels is New York afgevallen. ,,Ik had het daar gezien'', verklaart hij. ,,Voor een aantal jaar is het leuk om op meer plaatsen tegelijk te wonen, daarna begin je aan permanente dislocatie te lijden. Ik besefte dat ik me meer Nederlander en Europeaan voel dan ik vroeger voor mogelijk hield. In Amerika komen mensen nooit ergens vandaan, iedereen is er Amerikaan. Dat begon me na verloop van tijd te storen.''

Necrofilie

De Matinee op de Vrije Zaterdag besteedt morgen in een twee concerten beslaand `componistenportet' uitgebreid aandacht aan Zuidams muziek. Hart van het programma is de wereldpremière van de in opdracht van de Matinee geschreven compositie Foemeneis blandimentis gaudebat (2001) voor kamerorkest, mannenkoor en sopraan. Het werk is een voorstudie op Zuidams nieuwe opera, die gaat over de in necrofilie ontaardende liefde van Johanna de Waanzinnige (1479-1555) voor haar echtgenoot Filips de Schone (1478-1506).

Foemeneis blandimentis gaudebat – `Het minnekozen van vrouwen verschafte hem veel genoegen' – verwijst naar de overspelige natuur van Filips. Het koningspaar fascineert Zuidam al sinds hij een paar jaar geleden stuitte op Johanna de Waanzinnige; een tragisch leven in een bewogen tijd (1930) van Johan Brouwer, waarin het verhaal van Johanna en Filips op basis van verschillende bronnen wordt verteld. ,,Na Filips' jeugdig overlijden was Johanna eindelijk van de concurrentie van zijn talrijke minnaressen verlost, en liet ze hem niet langer ontsnappen'', vertelt hij. ,,Johanna ondernam vervolgens nachtelijke zwerftochten met het lijk, in afwachting van de wederopstanding van Filips, die volgens ooggetuigen in verregaande staat van ontbinding verkeerde. Rondom de kist liepen monniken hymnen te neurieën en gebeden te prevelen. De processie hield regelmatig halt omdat Johanna de kist wilde openen om Philips te kussen en omhelzen.''

Meer dan zulke lugubere weetjes, fascineert Zuidam wat Johanna dreef. ,,Wat zette haar aan tot zulke absolute toewijding en overgave aan één, niet eens meer levend mens? Ik vergelijk het met de anachoreten, die zich uit godsvrucht in een kerk lieten inmetselen in een klein hokje met uitzicht op het altaar. Zo'n zichzelf vergetende overgave kennen wij haast niet meer. Mij overkomt het héél zelden, tijdens seks en bij het componeren – dat zijn mijn meest gelukkige momenten. Maar doorgaans is het moderne leven te vrijblijvend voor overgave. We shoppen wat in de religieuze supermarkt en stillen onze onalledaagse behoeften met etherische oliën of een bloemlezing Oosterse wijsheden en gaan vredig slapen. Maar zo'n diepere, absolute vorm van toewijding maakt geen deel meer uit van mijn belevingswereld. Dat vind ik jammer.''

Mannenkoortje

Zuidams muziek is vaak omschreven als `eclectisch'. In Foemeneis blandimentis gaudebat zingt een mannenkoortje `een soort Gregoriaanse hymne' en citeert Zuidam een villancico, een Middeleeuws liefdesliedje uit het liedboek van Isabella I (la Católica) van Castilië, moeder van Johanna de Waanzinnige. ,,Het onderwerp dicteert een bepaalde muzikale sfeer'', erkent hij. ,,Waanzin zoals die van Johanna kan niet volgens een vastomlijnd recept in muziek tot uitdrukking worden gebracht. Maar wanneer zij in het liefdesliedje vraagt om `een kusje van haar edele cavalier' en je weet dat zij zich daarbij overbuigt naar een lijk, maakt de context haar toestand vanzelf tastbaar.''

De opera waar Foemeneis blandimentis gaudebat deel van zal uitmaken wordt een totaal ander stuk dan zijn eerste opera Freeze. Zuidam: ,,Net als destijds bij mijn eerste orkeststuk was ik in Freeze nog erg aan het worstelen met de vorm. Daardoor kwam ik veel minder toe aan wat ik werkelijk wilde maken. Het probleem bij opera schuilt in het tempo van de dramatische handeling, dat op zijn reet ligt zodra er iemand gaat zingen. Zang houdt de boel op, maar vormt tegelijkertijd de essentie van het genre. De mooie stukken niet te na gesproken heb ik mijzelf bij eigentijdse opera's soms vreselijk zitten vervelen... Het lijkt soms wel alsof de saaiste opera's het serieust worden genomen! Na Freeze durf ik in mijn tweede opera nu meer verstilling en rust in te bouwen. In principe wil ik de handeling zelfs nadrukkelijk zo beperkt mogelijk houden, zoals ook Louis Andriessens Writing to Vermeer geen lineair verhaal vertelde. Bevrijdend was dat! Als je te zeer vast zit aan een verhaal, gaat alle aandacht uit naar de intriges en verwikkelingen, terwijl het verhaal achter de feiten veel interessanter is.''

Slechte poëzie

Ook Zuidams McGonagall-Lieder (1997-2001) verklanken meer dan alleen de in de teksten bezongen gebeurtenissen. De liederen zelf werden al eerder in Nederland uitgevoerd, maar het ASKO Ensemble en sopraan Lucy Shelton verzorgen morgen tijdens een mini-concertje in de Kleine Zaal de Nederlandse première van de integrale sequentie van twee liederen en drie instrumentale delen. Zuidam vertelt met plezier over de gedichten van de Schot William McGonagall (1825-1902). ,,McGonagall schreef vreselijk slechte poëzie'', lacht hij. ,,Hij zevert bladzijdenlang voort over begrafenissen, rampen en veldslagen, waarbij de zinswende `And as I gaze upon thee...' een constante is. Maar juist daardoor waren deze teksten uiterst aantrekkelijk om te toonzetten. Goede poëzie is op zichzelf al muziek. Slechte poëzie vormt een veel dankbaarder inspiratiebron, omdat ze ertoe uitnodigt alle geschutspoorten van de verbeelding open te zetten.''

Het `componistenportret Rob Zuidam' plaatst Foemeneis blandimentis gaudebat en de McGonagall-Lieder in een kader van door Zuidam zelf geselecteerde werken uit de 20ste eeuw. Het werden Socrate van Eric Satie en Ballet Mécanique van George Antheil. ,,Goede stukken'', vat Zuidam samen. Een goed stuk is een entiteit op zichzelf – een ding, dat zijn eigen wetmatigheden formuleert. Socrate fascineert omdat het zo nadrukkelijk probeert onspectaculair te zijn, terwijl het Ballet Mécanique van Antheil een schreeuw om aandacht is. Zelf heb ik inmiddels meer affiniteit met muziek als die van Satie – muziek die niet zo veel wíl. Maar dat is misschien juist omdat ik met kabaal maken zo uitstekend uit de voeten kan. Daardoor vind ik het voor mezelf niet zo interessant meer.

,,Als ik een stuk schrijf, probeer ik mezelf in het publiek voor te stellen. Stel, er staat een zangeres op het podium. Wat zou ik als luisteraar verwachten, wat zou ik leuk vinden? En, erg belangrijk, in hoeverre wil ik als componist aan die verwachtingen voldoen? Want het is niet zo dat ik voor een publiek wil schrijven. Ik weet niet eens of dat kan, je moet het publiek niet onderschatten. Juist om dat te ondervangen probeer ik vanuit mezelf als publiek te denken. Dan moet ik eerst mezelf ervan overtuigen dat wat ik schrijf de moeite waard is om gehoord te worden.''

`Componistenportet Rob Zuidam' door het ASKO Ensemble, Radio Kamerorkest, Cappella Amsterdam o.l.v. Peter Rundel m.m.v. Lucy Shelton (sopraan) in de Matinee op de Vrije Zaterdag, 24/11 Concertgebouw, Amsterdam. Aanvang: 12.30 (Kleine Zaal) en 14.15 (Grote Zaal). Res. (020) 6718 345. Radio 4: 24/11 14.15 uur en 27/11 20.30 uur.

 

© 2001 Spel, M.
return to Homepage