In memoriam Hans Werner Henze

(published in Muziek van Nu, November 2012)

Yesterday Hans Werner Henze was laid to rest in Marino. Along with him an era has been put to the grave. Henze, born in 1926, was the last composer of whom it can be said he pertained a certain social relevance. What remains is ornament and wallpaper. There was a noticeable tone of reticence that resonated through the obituaries in the Dutch newspapers, which was in stark contrast to what was written about him elsewhere. But this was no surprise. The Netherlands has never truly been a Henze-country, as is unmistakably the case with Germany and England. This is in spite of the fact that he loved our country very much. It is a love that was spoon- fed to him by his mother, who spent the years of the First World War in a foster family in Scheveningen, and was cultivated by him for the rest of his life, due to the low accessibility threshold of marijuana and men-men over here.

As a mentor, Hans Werner Henze has been of an immeasurable importance to me. “I think you would be a good opera composer, and probably one of the type that also writes his own libretto”, he told me the first time we met, in the autumn of 1990. In my apartment at the Nieuwmarkt stood a short, somewhat sturdy posture, breathing down to every fiber the appearance of a noble, distinguished gentleman. He was standing there with an air of feigned helplessness, which made you automatically want to take his coat. Instinctively one suspected to be dealing with a descendant of an illustrious German aristocratic lineage. In reality, Henze was the son of a schoolteacher from a hole somewhere in Westphalia. Remarkably enough, I have never felt even the slightest discrepancy or inauthenticity with regard to this matter in my encounters with him. He created himself a lifestyle, construed by his own desires and vision. Music was his means to self-realization. La Leprara, the lush and extravagant domaine he created just outside Rome, together with his partner Fausto Moroni, is perhaps the most striking exponent of this attitude. It is here he also created the lion share of his insanely vast musical output, which was almost entirely created between seven and eleven in the morning. At twelve thirty at the latest it was time for a Bloody Mary. “We have all zese tomatoes in ze garden, you see“.

Henze has been important to me as a guide. In the most literal sense in ancient Rome, Frascati and the Tivoli, the summer palace of Hadrian where we spent unforgettable afternoons. But he also took me to soirées in Munich at Elizabeth Hartmann’s, the widow of Karl Amadeus, where I made contact with a congealed kind of Germany, frozen in time, seemingly unscathed by two world wars and where I experienced the power and spirit of the time-honoured Bildungskultur. In the meantime elderly ladies were dishing up gossip to me about Richard Strauss and ‘die Paula’. In London he once tried to educate me on where and how a gentleman acquires his shirts and suits. Well, not every mission can be brought to a successful ending. The most important thing is that through him I learned to embrace and adore the culture of the old continent.

The largest part of what I know about music theatre, I have learned through Henze. “In ze opera, one has to deal with mad people and idiots”, was his first, commendable lesson. But he was my guide also in a broader, deeper sense. We were walking along the Lago Albano, a volcanic lake with wild cyclamen flowering along its banks, and I told him about my struggle with the libretto of Rage d’amours. I was very much charmed by the story of Johanna the Insane, wandering about with the corpse of Philip the Handsome. But where would it lead to? In what direction would the story culminate? “Why don’t you give her what she wants?”, he said after some brief thinking. “Let him actually resurrect, and you will reward yourself with a nice duet at the ending, between a mad woman and a ghostlike appearance.” His phenomenal theatrical instinct is what I admire most about Henze.
But even more than a mentor and a guide, Hans was above all a friend. A warm blooded human being with a subtle, dry sense of humor. A more than averagely gifted causeur and charmer, who managed to couple an unbridled drive and discipline with joie de vivre and a sensuality that far exceeded homeopathic dosages. Unfortunately, I do not know anybody that even remotely resembles him, which makes his parting all the more painful and saddening.

The fact that he, in spite of him being 86 years old still quite unexpectedly, died in Dresden, where he was attending an extensive retrospective of his work, has something of a mild irony. His entire life he maintained a hate-love relationship with his native country, in which the former mostly prevailed. His father, a convinced nazi, made him a member of the Hitler Jugend when he started to suspect his son might be gay. Not very beneficial for the development of a sense of patriotism. Henze was also noticeably a different person when you encountered him in Germany, much more of a ‘Herr Professor’, more authoritarian and distant. Elsewhere he was more at ease and approachable. Still, he was someone who recited entire chapters of Goethe’s Faust from memory, in such a beautiful and sonorous German that tears would roll down your cheeks. Once I said to him: “You are the biggest Kraut I have ever met, and will ever meet, in my entire life.” It took him a moment before he realized this was meant as a compliment.

Rob Zuidam, November 6 2012.

Read More
for Dutch version scroll down

Henze and I at La Leprara, 2010 Henze and I at La Leprara, probably around 2008, photo by Michael Kerstan

In memoriam Hans Werner Henze

(gepubliceerd in Muziek van Nu, November 2012)

Gisteren werd Hans Werner Henze begraven in Marino. Tegelijk met hem werd ook een tijdperk ten grave gedragen. Henze, geboren in 1926, was de laatste componist van wie gezegd kan worden dat hij enige maatschappelijke relevantie bezat. Wat rest is behang en ornament. Opvallend was de zuinigheid die doorklonk in de overlijdensberichten in de Nederlandse kranten, die in een schril contrast staat met wat er elders over hem te lezen valt. Verrassend is dit niet, Nederland is nooit een echt Henze-land geweest, zoals Duitsland en Engeland dat onmiskenbaar wel zijn. En dat terwijl hij wel heel erg van ons land hield. Die liefde was hem al met de paplepel ingegoten door zijn moeder, die de jaren van de Eerste Wereldoorlog doorbracht in een opvanggezin in Scheveningen, en werd door hem in zijn verdere leven gecultiveerd vanwege de laagdrempelige toegankelijkheid van marihuana en mannen-mannen alhier.

Als mentor is Hans Werner Henze voor mij van onschatbare waarde geweest.“Volgens mij ben jij een goede operacomponist, één van het type dat ook zijn eigen libretto schrijft”, zei hij me de eerste keer dat we elkaar ontmoetten, in het najaar van 1990. In mijn huis aan de Nieuwmarkt stond een korte, ietwat gedrongen verschijning, tot in iedere vezel het wezen van een voornaam, gedistingeerd heerschap ademend. Hij stond daar met een soort van geveinsde hulpeloosheid, waardoor je automatisch zijn jas aannam. Instinctief vermoedde je met een nazaat van een roemrijk Duits aristocratisch geslacht van doen te hebben. In werkelijkheid was Henze de zoon van een onderwijzer uit een gat ergens in Westfalen. Opmerkelijk genoeg, heb ik hierin in mijn omgang met hem nooit ook maar de geringste discrepantie of onechtheid gevoeld. Hij heeft voor zichzelf een levensstijl gecreëerd, geheel naar eigen believen en inzichten. Muziek was het middel tot zelfverwerkelijking. La Leprara, de weelderige en weldadige lusthof die hij even buiten Rome maakte, samen met zijn levensgezel Fausto Moroni, is hiervan de meest treffende exponent. Hier schiep hij ook het leeuwendeel van zijn krankzinnig omvangrijke oeuvre, dat vrijwel in zijn geheel ontstond tussen zeven en elf uur ‘s ochtends. Uiterlijk half twaalf was het tijd voor een bloody Mary. “We have all zese tomatoes in ze garden, you see“.

Henze is belangrijk voor mij geweest als gids. In de meest letterlijke zin in het oude Rome, Frascati en Tivoli, het zomerpaleis van Hadrianus waar we onvergetelijke middagen doorbrachten. Maar ook nam hij me mee naar soirées in München bij Elizabeth Hartmann, de weduwe van Karl Amadeus, waar ik in contact kwam met een gestold soort Duitsland, dat onaangeroerd leek door twee wereldoorlogen en waar ik de kracht en het élan ervoer van de aloude Bildungskultur. En onderwijl disten oude dames sappige roddels voor mij op over Richard Strauss en ‘die Paula‘. In Londen heeft hij nog eens pogingen ondernomen mij te onderrichten waar en hoe een heer zijn pakken en overhemden bekomt. Enfin, niet iedere missie kan tot een geslaagd einde worden gebracht. De hoofdzaak is dat ik door hem de cultuur en de geschiedenis van het oude continent heb leren omarmen en liefhebben.

Het grootste deel van wat ik van muziektheater weet, heb ik geleerd van Henze. “In ze opera, one has to deal with mad people and idiots”, was de eerste, behartenswaardige les. Maar ook in bredere, diepere zin was hij hierin mijn gids. We liepen langs het Lago Albano, een vulkaanmeer waar wilde cyclamen langs de oevers bloeien, en ik vertelde hem over mijn worsteling met het libretto van Rage d’amours. Ik was wel zeer gecharmeerd van het verhaal over Johanna de Waanzinnige die met het lijk van Philips de Schone liep rond te zeulen. Maar waar ging het naartoe? Waarin moest het verhaal culmineren? “Waarom geef je haar niet wat ze zo graag wilt?”, zei hij na enig nadenken. “Laat hem daadwerkelijk wederopstaan en je schenkt jezelf een mooi duet aan het slot tussen een krankzinnige vrouw en een geestverschijning.” Zijn fenomenale theatrale instinct is hetgeen ik het meest aan Henze bewonder.
Maar meer nog dan een mentor en gids, was Hans bovenal een vriend. Een warmbloedig mens met een subtiele, droge humor. Een bovengemiddeld begaafd causeur en charmeur, die een tomeloze dadendrang en discipline wist te koppelen aan een joie de vivre en genotzucht op een wijze die de homeopathische dosering ten verre overstijgt. Helaas ken ik niemand die ook maar enigszins in de verste verte op hem lijkt, wat zijn heengaan extra zwaar en bedroevend maakt.

Dat hij, ondanks zijn 86 jaar toch nog vrij onverwacht, is gestorven in Dresden, waar hij een omvangrijk retrospectief van zijn werk bijwoonde, heeft iets van een milde ironie. Zijn hele leven heeft hij een haat-liefde verhouding met zijn geboorteland gehad, waarbij het eerste veelal prevaleerde. Zijn vader, een overtuigd nazi, maakte hem lid van de Hitler Jugend, toen hij vermoedde dat zijn puberzoon wellicht homoseksueel was. Weinig bevorderlijk voor de vaderlandsliefde. Henze was ook merkbaar een ander persoon als je hem in Duitsland trof, veel meer ‘Herr Professor’, autoritair en afstandelijk. Elders was hij meer op zijn gemak en benaderbaar. Toch was het iemand die hele delen van Goethes Faust uit het hoofd reciteerde, in een dermate prachtvol en klankrijk Duits, dat je de tranen erbij over je wangen biggelden. Op een keer zei ik tegen hem : “Jij bent de grootste mof die ik ooit heb ontmoet, en ooit nog zal ontmoeten.” Het duurde even voor hij doorhad dat dit een compliment was.

Rob Zuidam, 6 november 2012.

Read More